1. Fenotype en genotype
Eigenschappen die je kunt waarnemen, behoren tot het fenotype. De informatie voor die
eigenschappen behoren tot het genotype. Die genetische informatie ligt opgeslagen in de
chromosomen.
Chromosomen zijn dunne draden in de celkern, die bestaan uit DNA dat opgerold is om
eiwitten. Een mens heeft 46 chromosomen, verdeeld in 23 paren. 22 paren daarvan zijn
autosomen. Het 23e paar bevat de geslachtschromosomen.
XX = meisje, XY = jongen
Een gen is een deel dat informatie bevat voor erfelijke eigenschappen. Bijvoorbeeld het gen
voor je oogkleur.
DNA is opgebouwd
uit nucleotiden. Die
bestaat uit:
- Fosfaatgroep
- Desoxyribose
- Stikstofbase
In het DNA kunnen verschillende variaties voorkomen. Zo’n variatie heet een allel. Het gen
voor oogkleur, bestaat uit de allelen: blauw, groen en bruin.
Genen worden aangezet (= genexpressie) of juist uitgezet (= geninactivatie).
Genoom = alle genen + al het DNA.
Het fenotype wordt bepaald door het genotype en door milieufactoren. Bijvoorbeeld licht,
lucht, temperatuur, voeding, ziekten, vochtigheid & opvoeding.
Modificatie = verandering aan een eigenschap door de omgeving.
de verandering aan een eigenschap wordt niet doorgegeven aan nakomelingen!