H6 Interconnections between acquisition and retrieval
Je kan informatie herinneren (recall) of herkennen (recognize) uit je lange termijn geheugen. Er zijn
interacties tussen hoe iets is geleerd en hoe het later wordt opgehaald.
Learning as Preparation for Retrieval
Connecties zijn retrieval paths die je afloopt tot je je target hebt gevonden. De leercontext beinvloedt
dit, want je gedachten op het moment van leren zijn verbonden met target. Je hoeft niet fysiek op
dezelfde plek te zijn, je kunt ook denken aan de kamer waar je hebt geleerd. Het gaat dus niet om de
fysieke context, maar om de psychologische context die hetzelfde moet zijn voor verbetering van
retrieval.
Context reinstatement: verbeterde herinneringen als je de context gerecreëerd hoe het was tijdens
leren. Je gedachten en perspectieven tijdens leren en de test moeten zoveel mogelijk gelijk zijn.
Retrieval cue: een hint geven die gefocust is op betekenis of gelijk geluid. Betekenis zou tot beter
geheugen moeten leiden, maar uit de resultaten zorgt de sound match voor betere resultaten.
Encoding specificity
In je geheugen zit een opname van target materiaal en een opname van connecties tijdens leren. Deze
connecties (highways) hebben invloed op je zoektocht en kunnen de betekenis veranderen van wat je
hebt geleerd (afhankelijk van context). Een cue (hint) is alleen effectief als hij congruent is met de
context in je geheugen.
Encoding specificity: een hint is specifiek voor een bepaalde context, het hangt ervan af in welke
context je de informatie in je geheugen hebt gecodeert. Je hebt niet alleen dat woord geleerd, maar een
geintegreerde ervaring.
The Memory Network
Acquisitie en leren gaat op basis van connecties, die dienen als retrieval path. Geheugen is een
netwerk van knopen die aan elkaar gelinkt zijn zoals in een visnet. Elke knoop is via connecties
verbonden met andere knopen (associatieve links).
Spreading activation: een knoop wordt geactiveerd en gaat vuren als het een sterk genoeg signaal
ontvangt om zijn reactiedrempel te overstijgen. Dan activeert de knoop ook andere knopen via
associaties. Activatieniveaus onder de reactiedrempel heet subtreshold activation. Er is sprake van
summatie, waarbij twee inputs samen ervoor kunnen zorgen dat de drempel wel overstegen wordt. Als
een knoop al warm is geworden door gedeeltelijke activatie, komt er vanuit een andere kant een zwak
signaal maar toch genoeg om de drempel te overstijgen. Je navigeert op deze manier door je net van
knopen, maar activatie spreidt dus vanzelf en je kiest niet zelf waarheen. Mensen hebben wel een
kleine controle over het startpunt van hun spreidende activatie, door redeneren en de executive control.
Je kunt ook delen van activatie stoppen als je denkt dat ze niet nuttig zijn.
Retrieval cues: zwakke connecties brengen minder goed informatie over waardoor je een knoop
minder snel vindt. Als je een hint krijgt, dan krijg je vanuit een andere bron ook weer activatie richting
de juiste knoop en kan het activatieniveau wel overstegen worden.
Context reinstatement: gedachten tijdens het leren kunnen ook een bron van activatie zijn die vanaf
een andere kant komen. De knopen zijn dan gelinkt aan deze gedachten en dus krijg je dubbele input.
,Semantische priming: bij een lexicale beslissingstaak krijgen participanten lettervolgorden te zien,
waarvan sommige woorden zijn en sommigen niet. De reactietijd wordt gemeten. Semantische
priming vindt plaats doordat de betekenis van woorden gerelateerd is aan andere woorden die eerder
zijn genoemd. Je reageert dan sneller. Dit is ook een proces van spreidende activatie.
Different forms of memory testing
Leren is het maken of versterken van connecties die dienen als retrieval paths. Geheugen verbeterd
daarom door begrip. Elk pad heeft een startpunt en een eindpunt. Je moet op het juiste startpunt
beginnen. Er zijn twee soorten retrieval:
Recall: een retrieval cue krijgen die de informatie breed identificeert. Hiervoor is zoeken in je
geheugen nodig, via connecties.
Recognition: informatie wordt gepresenteerd en je moet beslissen of het de juiste informatie is. Er zijn
twee soorten bronnen van herkenning:
- Source memory (REMEMBER): je kan herkenning baseren op recall. Dit hangt af van connecties.
- Familiarity (KNOW): subjectief gevoel van herkenning en dit wel of niet toewijzen aan een
eerdere encounter.
Deze twee soorten herkenning zijn (biologisch) onafhankelijk van elkaar:
- Familiarity zonder source memory: soms kan je het gevoel van herkenning niet plaatsen
- Source memory zonder familiarity: verleden kunnen herinneren, maar gezichten niet
- Remember (hippocampus) en know (rhinal cortex) hangen af van verschillende breingebieden
(fMRI) ook tijdens leren.
Implicit Memory
- Expliciet geheugen (recall of recognition): directe geheugentaak
- Impliciet geheugen (priming effect): indirecte geheugentaak
Onbewust geheugen: bij een eerste encounter wordt je geprimed voor een tweede encounter (repetition
priming). Als je dan een lexicale beslissingstaak moet doen, kun je je de woorden wel herinneren.
Maar als je een directe geheugentest moet doen, dan vergeet je de woorden. Er is dus geen bewust
geheugen, maar beïnvloedt door de eerdere encounter onbewuste herinnering (priming effect). Je bent
je niet bewust van priming.
False fame: zonder delay heb je vaak een gevoel van herkenning en een source memory. Na een delay
heb je geen source memory maar wel een gevoel van herkenning. Je bent de bron van herkenning
vergeten, dus wijs je het soms toe aan iets anders (naam bekend persoon). De impliciete herinnering
geeft vaak het gevoel dat er ‘een belletje rinkelt’ en dit kan goed of fout geïnterpreteerd worden.
Illusion of truth: zinnen die je eerder hebt gehoord worden vaker als waar aangenomen, want
familiarity zorgt voor meer credibility. Je kan de bron niet meer vinden, maar herkent het wel.
Een impliciete herinnering kan toegewezen worden aan een:
- Verkeerde stimulus: dit is bijvoorbeeld het geval als je een zin kent, dat ruis dan minder hard lijkt.
Bekende zinnen zijn makkelijker te percipiëren, dus lijkt het omgevingsgeluid minder hard.
- Verkeerde bron: source confusion
, Theoretical Treatments of Implicit Memory
Je bent vaak beter in het onthouden van iets dat familiar is dan onthouden waarom het familiar is
(source). Participanten worden vaak beïnvloedt door onbewuste herinneringen en daar is niet eens een
gevoel van familiarity voor nodig. Je hebt dus echt onbewuste herinneringen.
- Processing pathway: stimulus > detectoren > activatieflow via connecties > retrieval path >
herkenning
- Processing pathway: stimulus > nodes > activatieflow via connecties > retrieval path > herinnering
Hoe meer het processing pathway wordt gebruikt, hoe sterker het pad wordt omdat het
activatiedrempel lager wordt en connecties worden sterker. Het pad is dan efficiënter; de processing
fluency wordt beter (snelheid en gemak). Als je geprimed ben, dan is het pad al opgewarmd. Mensen
zijn gevoelig voor de mate van processing fluency. Als een stimulus gemakkelijk te percipiëren is, dan
hebben mensen het gevoel dat hij bekend is. De vloeiendheid door oefening, laat een belletje rinkelen.
Dit moet dan toegewezen worden aan de goede bron, want anders wordt het gevoel niet goed
geïnterpreteerd.
Familiarity
Familiarity is meer een conclusie die je trekt dan een gevoel. Iets voelt bekend als de volgende
onbewuste stappen plaatsvinden:
1. Je de stimulus eerder hebt meegemaakt
2. Deze oefening zorgt voor een meer efficiënte processing
3. Je neemt deze processing vloeiendheid waar en voelt dat de stimulus speciaal is
4. Je probeert uit te vinden waarom het speciaal voelt en trekt de conclusie dat je het eerder hebt
gezien
5. Je concludeert waar en wanneer je de stimulus hebt gezien.
Bewust eindproduct: een gevoel van bekendheid. Je concludeert alleen of een stimulus bekend is als je
een ondersteunende informatie hebt.
- Een stimulus kan objectief gezien bekend zijn, maar niet bekend voelen. Je wijst de vloeiendheid
dan toe aan een andere bron (geluid is zacht).
- Een stimulus kan niet bekend zijn, maar wel bekend voelen. Deze illusie kan komen omdat het
verwerken van een stimulus vloeiender gaat dan je had verwacht.
Geheugen hiërarchie
Expliciet geheugen
- Episodisch: specifieke gebeurtenissen (tijd en plaats)
- Semantisch: algemene kennis
Impliciet geheugen
- Procedureel: skills
- Priming: veranderen in perceptie door eerdere ervaring
- Perceptueel leren: door ervaring
- Klassieke conditionering: associaties tussen stimuli leren
Amnesia
Je kan informatie herinneren (recall) of herkennen (recognize) uit je lange termijn geheugen. Er zijn
interacties tussen hoe iets is geleerd en hoe het later wordt opgehaald.
Learning as Preparation for Retrieval
Connecties zijn retrieval paths die je afloopt tot je je target hebt gevonden. De leercontext beinvloedt
dit, want je gedachten op het moment van leren zijn verbonden met target. Je hoeft niet fysiek op
dezelfde plek te zijn, je kunt ook denken aan de kamer waar je hebt geleerd. Het gaat dus niet om de
fysieke context, maar om de psychologische context die hetzelfde moet zijn voor verbetering van
retrieval.
Context reinstatement: verbeterde herinneringen als je de context gerecreëerd hoe het was tijdens
leren. Je gedachten en perspectieven tijdens leren en de test moeten zoveel mogelijk gelijk zijn.
Retrieval cue: een hint geven die gefocust is op betekenis of gelijk geluid. Betekenis zou tot beter
geheugen moeten leiden, maar uit de resultaten zorgt de sound match voor betere resultaten.
Encoding specificity
In je geheugen zit een opname van target materiaal en een opname van connecties tijdens leren. Deze
connecties (highways) hebben invloed op je zoektocht en kunnen de betekenis veranderen van wat je
hebt geleerd (afhankelijk van context). Een cue (hint) is alleen effectief als hij congruent is met de
context in je geheugen.
Encoding specificity: een hint is specifiek voor een bepaalde context, het hangt ervan af in welke
context je de informatie in je geheugen hebt gecodeert. Je hebt niet alleen dat woord geleerd, maar een
geintegreerde ervaring.
The Memory Network
Acquisitie en leren gaat op basis van connecties, die dienen als retrieval path. Geheugen is een
netwerk van knopen die aan elkaar gelinkt zijn zoals in een visnet. Elke knoop is via connecties
verbonden met andere knopen (associatieve links).
Spreading activation: een knoop wordt geactiveerd en gaat vuren als het een sterk genoeg signaal
ontvangt om zijn reactiedrempel te overstijgen. Dan activeert de knoop ook andere knopen via
associaties. Activatieniveaus onder de reactiedrempel heet subtreshold activation. Er is sprake van
summatie, waarbij twee inputs samen ervoor kunnen zorgen dat de drempel wel overstegen wordt. Als
een knoop al warm is geworden door gedeeltelijke activatie, komt er vanuit een andere kant een zwak
signaal maar toch genoeg om de drempel te overstijgen. Je navigeert op deze manier door je net van
knopen, maar activatie spreidt dus vanzelf en je kiest niet zelf waarheen. Mensen hebben wel een
kleine controle over het startpunt van hun spreidende activatie, door redeneren en de executive control.
Je kunt ook delen van activatie stoppen als je denkt dat ze niet nuttig zijn.
Retrieval cues: zwakke connecties brengen minder goed informatie over waardoor je een knoop
minder snel vindt. Als je een hint krijgt, dan krijg je vanuit een andere bron ook weer activatie richting
de juiste knoop en kan het activatieniveau wel overstegen worden.
Context reinstatement: gedachten tijdens het leren kunnen ook een bron van activatie zijn die vanaf
een andere kant komen. De knopen zijn dan gelinkt aan deze gedachten en dus krijg je dubbele input.
,Semantische priming: bij een lexicale beslissingstaak krijgen participanten lettervolgorden te zien,
waarvan sommige woorden zijn en sommigen niet. De reactietijd wordt gemeten. Semantische
priming vindt plaats doordat de betekenis van woorden gerelateerd is aan andere woorden die eerder
zijn genoemd. Je reageert dan sneller. Dit is ook een proces van spreidende activatie.
Different forms of memory testing
Leren is het maken of versterken van connecties die dienen als retrieval paths. Geheugen verbeterd
daarom door begrip. Elk pad heeft een startpunt en een eindpunt. Je moet op het juiste startpunt
beginnen. Er zijn twee soorten retrieval:
Recall: een retrieval cue krijgen die de informatie breed identificeert. Hiervoor is zoeken in je
geheugen nodig, via connecties.
Recognition: informatie wordt gepresenteerd en je moet beslissen of het de juiste informatie is. Er zijn
twee soorten bronnen van herkenning:
- Source memory (REMEMBER): je kan herkenning baseren op recall. Dit hangt af van connecties.
- Familiarity (KNOW): subjectief gevoel van herkenning en dit wel of niet toewijzen aan een
eerdere encounter.
Deze twee soorten herkenning zijn (biologisch) onafhankelijk van elkaar:
- Familiarity zonder source memory: soms kan je het gevoel van herkenning niet plaatsen
- Source memory zonder familiarity: verleden kunnen herinneren, maar gezichten niet
- Remember (hippocampus) en know (rhinal cortex) hangen af van verschillende breingebieden
(fMRI) ook tijdens leren.
Implicit Memory
- Expliciet geheugen (recall of recognition): directe geheugentaak
- Impliciet geheugen (priming effect): indirecte geheugentaak
Onbewust geheugen: bij een eerste encounter wordt je geprimed voor een tweede encounter (repetition
priming). Als je dan een lexicale beslissingstaak moet doen, kun je je de woorden wel herinneren.
Maar als je een directe geheugentest moet doen, dan vergeet je de woorden. Er is dus geen bewust
geheugen, maar beïnvloedt door de eerdere encounter onbewuste herinnering (priming effect). Je bent
je niet bewust van priming.
False fame: zonder delay heb je vaak een gevoel van herkenning en een source memory. Na een delay
heb je geen source memory maar wel een gevoel van herkenning. Je bent de bron van herkenning
vergeten, dus wijs je het soms toe aan iets anders (naam bekend persoon). De impliciete herinnering
geeft vaak het gevoel dat er ‘een belletje rinkelt’ en dit kan goed of fout geïnterpreteerd worden.
Illusion of truth: zinnen die je eerder hebt gehoord worden vaker als waar aangenomen, want
familiarity zorgt voor meer credibility. Je kan de bron niet meer vinden, maar herkent het wel.
Een impliciete herinnering kan toegewezen worden aan een:
- Verkeerde stimulus: dit is bijvoorbeeld het geval als je een zin kent, dat ruis dan minder hard lijkt.
Bekende zinnen zijn makkelijker te percipiëren, dus lijkt het omgevingsgeluid minder hard.
- Verkeerde bron: source confusion
, Theoretical Treatments of Implicit Memory
Je bent vaak beter in het onthouden van iets dat familiar is dan onthouden waarom het familiar is
(source). Participanten worden vaak beïnvloedt door onbewuste herinneringen en daar is niet eens een
gevoel van familiarity voor nodig. Je hebt dus echt onbewuste herinneringen.
- Processing pathway: stimulus > detectoren > activatieflow via connecties > retrieval path >
herkenning
- Processing pathway: stimulus > nodes > activatieflow via connecties > retrieval path > herinnering
Hoe meer het processing pathway wordt gebruikt, hoe sterker het pad wordt omdat het
activatiedrempel lager wordt en connecties worden sterker. Het pad is dan efficiënter; de processing
fluency wordt beter (snelheid en gemak). Als je geprimed ben, dan is het pad al opgewarmd. Mensen
zijn gevoelig voor de mate van processing fluency. Als een stimulus gemakkelijk te percipiëren is, dan
hebben mensen het gevoel dat hij bekend is. De vloeiendheid door oefening, laat een belletje rinkelen.
Dit moet dan toegewezen worden aan de goede bron, want anders wordt het gevoel niet goed
geïnterpreteerd.
Familiarity
Familiarity is meer een conclusie die je trekt dan een gevoel. Iets voelt bekend als de volgende
onbewuste stappen plaatsvinden:
1. Je de stimulus eerder hebt meegemaakt
2. Deze oefening zorgt voor een meer efficiënte processing
3. Je neemt deze processing vloeiendheid waar en voelt dat de stimulus speciaal is
4. Je probeert uit te vinden waarom het speciaal voelt en trekt de conclusie dat je het eerder hebt
gezien
5. Je concludeert waar en wanneer je de stimulus hebt gezien.
Bewust eindproduct: een gevoel van bekendheid. Je concludeert alleen of een stimulus bekend is als je
een ondersteunende informatie hebt.
- Een stimulus kan objectief gezien bekend zijn, maar niet bekend voelen. Je wijst de vloeiendheid
dan toe aan een andere bron (geluid is zacht).
- Een stimulus kan niet bekend zijn, maar wel bekend voelen. Deze illusie kan komen omdat het
verwerken van een stimulus vloeiender gaat dan je had verwacht.
Geheugen hiërarchie
Expliciet geheugen
- Episodisch: specifieke gebeurtenissen (tijd en plaats)
- Semantisch: algemene kennis
Impliciet geheugen
- Procedureel: skills
- Priming: veranderen in perceptie door eerdere ervaring
- Perceptueel leren: door ervaring
- Klassieke conditionering: associaties tussen stimuli leren
Amnesia