Zwakte en kracht van rechtenethiek
Kracht: biedt bescherming aan de burgers, ook aan mensen die wat minder zelfredzaam,
onafhankelijk en autonoom (zelfstandig) zijn dat die zelfstandige enkeling.
Drie filosofen Hutcheson, Hume en Smith
Hielden zich allemaal bezig met de vraag waarom mensen zich iets van het lot aantrekken?
Probleem wat ze bezighield: dat solidariteit begrensd bleek
Gaat het om je naaste?iemand die je kent dat is de mens van nature geneigd om er wat van
aan te trekken. Maar bij een onbekende houdt die solidariteit meestal snel op.
Oplossing hiervoor: werd opgelost door universeel geldende principes te formuleren (Kant) waaraan
de mensen zich moeten houden.
Inzichtingen Francis Hutcheson
- Mensen worden naast verstand ook gedreven door emoties
- Samenleving is gebaseerd op onderlinge vertrouwen en streven naar geluk voor een ander
(hiervoor moet je fundamentele voorwaarden opofferen als dat voor de meerderheid van de
burger nuttig is)
Voorbeeld: luchthavens waarbij iedereen gefouilleerd mag worden i.v.m. met de veiligheid. Maar
vanuit de rechtenethiek is het in strijd met de autonome burger (zelfstandige).
Inzichtingen David Hume
- Gebruikt het begrip benevolence: redeneer vanuit de emoties behangen, liefhebben en
koesteren die een samenbindend effect heeft en contextgebonden (dicht bij de mensen die
je kent) is tegenover naasten.
- Propriety: fatsoenlijkheid van iemands handelen (dit was niet voldoende voor een
rechtvaardige maatschappij. Bezit speelde hierbij ook een rol).
Inzichtingen Adam Smith
- Sympathie voor anderen brengen wij door ons te verplaatsen in de situatie van een ander en
ons dan voor te stellen hoe dat voelt (empathie)
-
Van alle drie filosofen bewoog Adam Smith het meest in de richting van de 19e eeuw, want hij
beschreef de mentaliteit die economische ontwikkeling in de periode van de industriealisatie
mogelijk maakte. 2 kanten die hij daarbij aangaf
1. Calculerende burger (wist precies op wat hij recht had)
2. Betrouwbare burger (wilde minder met de overheid te maken hebben)
Zij sloten contracten om verplichtingen na te komen dat ook in de wet stond.
5.3 In de private sfeer (markteconomie)
Vormt de zorgethiek (vrouwelijk) de referentiekader
- de mannen werkten niet meer op land toen de industrialisatie tot stand kwam. Zij waren de
kostwinner buitenshuis. Vrouwen zorgden thuis voor de man en kinderen. Zorg en emoties gingen
steeds meer behoren tot de privésfeer(gezin)
In de publieke sfeer (de overheid)
Vormt de rechtenethiek (mannelijk) de referentiekader
- Vrouwen mochten in de jaren 60 niet in overheidsfuncties werken. De scheiding tussen
beiden werelden waren strikt.