Psychological Science H14 – Psychological Disorders
Paragraaf 14.1 – Hoe worden psychische stoornissen geconceptualiseerd en geclassifceerd?
Mensen die psychologische stoornissen hebben vertonen symptomen van psychopathologie. Dit
betekent: ziekte of aandoening van de geest. Om psychische stoornissen te begrijpen, onderzoeken
psychologen de etologie van de stoornis: factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van de stoornis.
Inmiddels weten we dat milieu (omgeving) en biologie (iemands genen, hersenwerking,
persoonskenmerken etc.) op elkaar inwerken bij het ontstaan van psychologische stoornissen.
Het kan moeilijk zijn om te bepalen of bepaald gedrag wordt veroorzaakt door psychopathologie.
Houd namelijk in gedachte dat gedrag, met name ongebruikelijk gedrag, altjd bekeken moet worden
in de context van de situate. ij de bepaling of bepaald gedrag psychopathologie vertegenwoordigd,
is het belangrijk om rekening te houden met bepaalde criteria:
1. Handelt de persoon op een manier die afwijkt van culturele normen voor aanvaardbaar
gedrag?
2. Is het gedrag onjuist aangepast? Dat wil zeggen: interfereert het gedrag met het vermogen
van de persoon om passend te reageren in verschillende situate?
3. Is het gedrag zelfdestructef, veroorzaakt het individuele persoonlijke ellende, of bedreigt het
andere mensen in de gemeenschap?
4. Leidt het gedrag tot ongemak en bezorgdheid voor anderen, waardoor de sociale relates van
een persoon nadelig worden beïnvloed?
Een persoon met psychopathologie vertoont gedachten, gevoelens en gedragingen die eerder onjuist
aangepast (mal-adaptef) zijn, dan afwijkend.
In 1800 werd voor het eerst aangenomen dat niet alle patinten met psychologische stoornissen
leden aan dezelfde stoornis. Men begon daarom met het onderverdelen van psychologische
stoornissen in categoriein. Het idee om systematsch psychologische stoornissen te categoriseren,
werd pas in 1952 ofcieel goedgekeurd toen de American Psychiatric Associaton de eerste edite van
the Diagnosti and Statstiac lanuac of lentac Disorders (DSl) publiceerde. Het leidende principe
van de DSM is dat het eenvoudiger moet zijn om uit te zoeken hoe psychologische aandoeningen
moeten worden behandeld, als de aandoeningen worden gegroepeerd op basis van vergelijkbare
ethologiin en symptomen. In de huidige edite, DSl-5 (uitgegeven in 2013), worden stoornissen
beschreven in termen van waarneembare symptomen. Een cliint moet voldoen aan specifeke
criteria om een bepaalde diagnose te krijgen. Dit is dan ook gelijk een van de problemen van de DSM
benadering: het suggereert dat een persoon of een psychologische stoornis heef of helemaal niet.
Dit staat ook wel bekend als de iategoriiac approaih. Verschillen in de ernst van een stoornis
worden door deze benadering dus helemaal buiten beschouwing gelaten. Deze verschillen worden
wel meegenomen in een alternatef type van evaluate: the dimensionac approaih. Deze benadering
beschouwt psychologische stoornissen in een contnuum waarin mensen in mate variiren in plaats
van in soort. Deze benadering erkent dat veel psychologische stoornissen extreme versies zijn van
normale gevoelens.
Een ander probleem met de DSM-5 benadering is dat mensen zelden naadloos passen bij de gegeven
precieze categoriein. Sterker nog, veel psychische stoornissen komen samen voor, hoewel de DSM-5
ze behandeld als afzonderlijke stoornissen. Deze toestand waarbij psychologische stoornissen elkaar
meestal overlappen, wordt co morbiditeit genoemd. Het is mogelijk dat psychologische stoornissen
co morbide zijn vanwege de gemeenschappelijke onderliggende factoren.
The U.S. Natonal Insttute of Mental Health (NIMH) heef een geheel nieuwe manier voorgesteld om
psychische stoornissen te classifceren en te begrijpen. Waar de aanpak van DSM aandoeningen
, classifceert aan de hand van waarneembare symptomen, defnieert de Researih Domain Criteria
(RDoC) methode basisaspecten van functoneren (zoals aandacht, sociale communicate, angst) en
bekijkt deze over meerdere analyseniveaus, van genen tot hersensystemen tot gedrag. Het RDoC
initatef is in eerste instante bedoeld om onderzoek te begeleiden in plaats van aandoeningen in te
delen op basis van passende behandelingen. Het doel is om de processen te begrijpen die aanleiding
geven tot ongeregelde gedachten, emotes en gedragingen. Het identfceren van de oorzaak van
deze symptomen kan uiteindelijk inzicht geven in de behandeling ervan.
Een psychologisch assesment is een onderzoek naar de mentale functes en psychische gesteldheid
van een persoon om een psychische stoornis te diagnostceren. Dit proces omvat vaak
zelfrapportages, psychologische tests, observates en interviews. Het kan ook neuropsychologische
testen omvaten. In de neuropsychologische methode moet een cliint bepaalde taken uitvoeren.
Voor elke taak is een vaardigheid verreist, zoals plannen, coördineren of onthouden. Door actes te
markeren die de cliint slecht uitvoert, kan het assessment duiden op problemen in een bepaald
hersengebied. Daaropvolgend onderzoek met MRI of PET kan duiden op hersenbeschadiging
veroorzaakt door een tumor of door een verwonding. Het voornaamste doel van een assessment is
om een diagnose te stellen zodat er een gepaste behandeling kan worden gegeven.
Een belangrijke vraag is of psychologische assessments informate geven die bruikbaar is voor het
behandelen van psychische stoornissen. ovendien kiezen individuele clinici vaak
beoordelingsprocedures op basis van hun subjecteve overtuigingen in plaats van op
wetenschappelijke studies.
Evidenie-based assessment is een benadering van klinische evaluate waarin onderzoek voor
begeleiding zorgt van psychopathologische evaluate, de selecte van geschikte psychologische tests
en neuropsychologische methoden, en het kritsch denken bij het stellen van een diagnosis.
Psychologen zijn het onderling niet volledig eens over de oorzaken van psychopathologie. Wel wordt
gedacht dat bepaalde factoren een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van psychopathologie.
Het diathesis-stress model stelt dat een individu een onderliggende kwetsbaarheid (diathese) kan
hebben voor een psychische stoornis. Deze diathese kan biologisch zijn, zoals een genetsche aanleg
voor een specifeke aandoening, of het kan ontstaan uit omgevingsfactoren, zoals kindertrauma.
Deze kwetsbaarheid is mogelijk niet voldoende om een stoornis te veroorzaken, maar de toevoeging
van stressvolle omstandigheden kan er voor zorgen dat er wel een bepaalde psychische stoornis
wordt ontwikkeld.
Het biocogisihe perspeitef richt zich op hoe fysiologische factoren, zoals genetca, bijdragen aan
psychische stoornissen. Structurele beeldvorming en postmortale onderzoeken hebben verschillen in
hersenanatomie, wellicht veroorzaakt door genetca, aan het licht gebracht tussen mensen met
psychische stoornissen en mensen zonder. Onderzoek naar de neurologische componenten van
psychische stoornissen heef door middel van PET en fMRI aangetoond dat hersenregio’s afwijkend
kunnen functoneren bij mensen met psychische stoornissen.
Omgevingsfactoren op het lichaam hebben ook invloed op de ontwikkeling en het beloop van
psychische stoornissen. Milieutoxines (zoals drugs en alcohol) en ondervoeding kunnen een individu
in gevaar brengen voor psychische stoornissen. Al deze ‘biologische’ factoren weerspiegelen vaak de
kwetsbaarheden voor de ontwikkeling van psychische stoornissen die bij individuen voorkomen.
Ook omgevingsinvcoeden spelen een rol bij de ontwikkeling van psychische stoornissen. Gedachten
en emotes die gevormd worden door een omgeving kunnen het gedrag, inclusief ongeregeld gedrag
ernstg beïnvloeden. Niet alleen traumatsche gebeurtenissen, maar ook minder extreme
omstandigheden, zoals voortdurend worden gekleineerd door een ouder, kan langdurige gevolgen
hebben. Het famicy systems model stelt voor dat het gedrag van een persoon moet worden
beschouwd binnen een sociale context, met name binnen de context van het gezin. Volgens dit
Paragraaf 14.1 – Hoe worden psychische stoornissen geconceptualiseerd en geclassifceerd?
Mensen die psychologische stoornissen hebben vertonen symptomen van psychopathologie. Dit
betekent: ziekte of aandoening van de geest. Om psychische stoornissen te begrijpen, onderzoeken
psychologen de etologie van de stoornis: factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van de stoornis.
Inmiddels weten we dat milieu (omgeving) en biologie (iemands genen, hersenwerking,
persoonskenmerken etc.) op elkaar inwerken bij het ontstaan van psychologische stoornissen.
Het kan moeilijk zijn om te bepalen of bepaald gedrag wordt veroorzaakt door psychopathologie.
Houd namelijk in gedachte dat gedrag, met name ongebruikelijk gedrag, altjd bekeken moet worden
in de context van de situate. ij de bepaling of bepaald gedrag psychopathologie vertegenwoordigd,
is het belangrijk om rekening te houden met bepaalde criteria:
1. Handelt de persoon op een manier die afwijkt van culturele normen voor aanvaardbaar
gedrag?
2. Is het gedrag onjuist aangepast? Dat wil zeggen: interfereert het gedrag met het vermogen
van de persoon om passend te reageren in verschillende situate?
3. Is het gedrag zelfdestructef, veroorzaakt het individuele persoonlijke ellende, of bedreigt het
andere mensen in de gemeenschap?
4. Leidt het gedrag tot ongemak en bezorgdheid voor anderen, waardoor de sociale relates van
een persoon nadelig worden beïnvloed?
Een persoon met psychopathologie vertoont gedachten, gevoelens en gedragingen die eerder onjuist
aangepast (mal-adaptef) zijn, dan afwijkend.
In 1800 werd voor het eerst aangenomen dat niet alle patinten met psychologische stoornissen
leden aan dezelfde stoornis. Men begon daarom met het onderverdelen van psychologische
stoornissen in categoriein. Het idee om systematsch psychologische stoornissen te categoriseren,
werd pas in 1952 ofcieel goedgekeurd toen de American Psychiatric Associaton de eerste edite van
the Diagnosti and Statstiac lanuac of lentac Disorders (DSl) publiceerde. Het leidende principe
van de DSM is dat het eenvoudiger moet zijn om uit te zoeken hoe psychologische aandoeningen
moeten worden behandeld, als de aandoeningen worden gegroepeerd op basis van vergelijkbare
ethologiin en symptomen. In de huidige edite, DSl-5 (uitgegeven in 2013), worden stoornissen
beschreven in termen van waarneembare symptomen. Een cliint moet voldoen aan specifeke
criteria om een bepaalde diagnose te krijgen. Dit is dan ook gelijk een van de problemen van de DSM
benadering: het suggereert dat een persoon of een psychologische stoornis heef of helemaal niet.
Dit staat ook wel bekend als de iategoriiac approaih. Verschillen in de ernst van een stoornis
worden door deze benadering dus helemaal buiten beschouwing gelaten. Deze verschillen worden
wel meegenomen in een alternatef type van evaluate: the dimensionac approaih. Deze benadering
beschouwt psychologische stoornissen in een contnuum waarin mensen in mate variiren in plaats
van in soort. Deze benadering erkent dat veel psychologische stoornissen extreme versies zijn van
normale gevoelens.
Een ander probleem met de DSM-5 benadering is dat mensen zelden naadloos passen bij de gegeven
precieze categoriein. Sterker nog, veel psychische stoornissen komen samen voor, hoewel de DSM-5
ze behandeld als afzonderlijke stoornissen. Deze toestand waarbij psychologische stoornissen elkaar
meestal overlappen, wordt co morbiditeit genoemd. Het is mogelijk dat psychologische stoornissen
co morbide zijn vanwege de gemeenschappelijke onderliggende factoren.
The U.S. Natonal Insttute of Mental Health (NIMH) heef een geheel nieuwe manier voorgesteld om
psychische stoornissen te classifceren en te begrijpen. Waar de aanpak van DSM aandoeningen
, classifceert aan de hand van waarneembare symptomen, defnieert de Researih Domain Criteria
(RDoC) methode basisaspecten van functoneren (zoals aandacht, sociale communicate, angst) en
bekijkt deze over meerdere analyseniveaus, van genen tot hersensystemen tot gedrag. Het RDoC
initatef is in eerste instante bedoeld om onderzoek te begeleiden in plaats van aandoeningen in te
delen op basis van passende behandelingen. Het doel is om de processen te begrijpen die aanleiding
geven tot ongeregelde gedachten, emotes en gedragingen. Het identfceren van de oorzaak van
deze symptomen kan uiteindelijk inzicht geven in de behandeling ervan.
Een psychologisch assesment is een onderzoek naar de mentale functes en psychische gesteldheid
van een persoon om een psychische stoornis te diagnostceren. Dit proces omvat vaak
zelfrapportages, psychologische tests, observates en interviews. Het kan ook neuropsychologische
testen omvaten. In de neuropsychologische methode moet een cliint bepaalde taken uitvoeren.
Voor elke taak is een vaardigheid verreist, zoals plannen, coördineren of onthouden. Door actes te
markeren die de cliint slecht uitvoert, kan het assessment duiden op problemen in een bepaald
hersengebied. Daaropvolgend onderzoek met MRI of PET kan duiden op hersenbeschadiging
veroorzaakt door een tumor of door een verwonding. Het voornaamste doel van een assessment is
om een diagnose te stellen zodat er een gepaste behandeling kan worden gegeven.
Een belangrijke vraag is of psychologische assessments informate geven die bruikbaar is voor het
behandelen van psychische stoornissen. ovendien kiezen individuele clinici vaak
beoordelingsprocedures op basis van hun subjecteve overtuigingen in plaats van op
wetenschappelijke studies.
Evidenie-based assessment is een benadering van klinische evaluate waarin onderzoek voor
begeleiding zorgt van psychopathologische evaluate, de selecte van geschikte psychologische tests
en neuropsychologische methoden, en het kritsch denken bij het stellen van een diagnosis.
Psychologen zijn het onderling niet volledig eens over de oorzaken van psychopathologie. Wel wordt
gedacht dat bepaalde factoren een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van psychopathologie.
Het diathesis-stress model stelt dat een individu een onderliggende kwetsbaarheid (diathese) kan
hebben voor een psychische stoornis. Deze diathese kan biologisch zijn, zoals een genetsche aanleg
voor een specifeke aandoening, of het kan ontstaan uit omgevingsfactoren, zoals kindertrauma.
Deze kwetsbaarheid is mogelijk niet voldoende om een stoornis te veroorzaken, maar de toevoeging
van stressvolle omstandigheden kan er voor zorgen dat er wel een bepaalde psychische stoornis
wordt ontwikkeld.
Het biocogisihe perspeitef richt zich op hoe fysiologische factoren, zoals genetca, bijdragen aan
psychische stoornissen. Structurele beeldvorming en postmortale onderzoeken hebben verschillen in
hersenanatomie, wellicht veroorzaakt door genetca, aan het licht gebracht tussen mensen met
psychische stoornissen en mensen zonder. Onderzoek naar de neurologische componenten van
psychische stoornissen heef door middel van PET en fMRI aangetoond dat hersenregio’s afwijkend
kunnen functoneren bij mensen met psychische stoornissen.
Omgevingsfactoren op het lichaam hebben ook invloed op de ontwikkeling en het beloop van
psychische stoornissen. Milieutoxines (zoals drugs en alcohol) en ondervoeding kunnen een individu
in gevaar brengen voor psychische stoornissen. Al deze ‘biologische’ factoren weerspiegelen vaak de
kwetsbaarheden voor de ontwikkeling van psychische stoornissen die bij individuen voorkomen.
Ook omgevingsinvcoeden spelen een rol bij de ontwikkeling van psychische stoornissen. Gedachten
en emotes die gevormd worden door een omgeving kunnen het gedrag, inclusief ongeregeld gedrag
ernstg beïnvloeden. Niet alleen traumatsche gebeurtenissen, maar ook minder extreme
omstandigheden, zoals voortdurend worden gekleineerd door een ouder, kan langdurige gevolgen
hebben. Het famicy systems model stelt voor dat het gedrag van een persoon moet worden
beschouwd binnen een sociale context, met name binnen de context van het gezin. Volgens dit