Strafrecht 3
Werkgroep week 2
Arresten
Brogan tegen het Verenigd Koninkrijk
Rechtsregel: art. 5 lid 3 EVRM schrijft ‘promptly’ voorgeleiding voor. 4 dagen en 6 uur is te
lang; dit is niet meer promptly. §62
1. Het Hof stelt in r.o. 53 dat het feit dat ze niet voor een rechterlijke instantie zijn
geleid niet meteen betekend dat art. 5 lid 1 sub c EVRM is geschonden. In deze zaak
was bewijs dat nodig was om de verdachten voor een rechterlijke instantie te
geleiden ‘unobtainable’. Er is geen reden om te geloven dat de detentie van de
verdachten met een andere reden was dan het onderzoek voort te zetten met het
doel de verdenkingen te bevestigen of te ontkrachten. De arrestatie was hierop
gebaseerd. Er is geen schending van art. 5 lid 1 sub c EVRM.
2. Dit artikel bevat een fundamenteel mensenrecht, namelijk de bescherming van een
individu tegen willekeurige inmengingen met zijn recht op vrijheid door de staat. De
rechterlijke controle op verstoringen van het recht op vrijheid door de uitvoerende
macht is een essentieel kenmerk van de garantie vervat in art. 5 lid 3 EVRM, die
bedoeld is om het risico van willekeur te minimaliseren (r.o. 58).
3. Er is sprake van een schending van art. 5 lid 3 en lid 5 EVRM.
4. Ja. Dit beginsel is opgenomen in art. 15 lid 2 Gw.
Belang van het onderzoek
1. Verdachte is op heterdaad aangehouden wegens winkeldiefstal waarna hij is
voorgeleid aan de Hulpofficier van Justitie en vervolgens in verzekering gesteld.
2. Onder onderzoeksbelang wordt niet alleen begrepen het onderzoek naar het
mogelijk gepleegde strafbare feit, maar ook het onderzoek naar de mogelijkheid en
wenselijkheid een bevel tot voorlopige hechtenis te vorderen dan wel te geven. (r.o.
4.3) Is de rechtsregel uit dit arrest.
Buzadji tegen Moldavië
1. Art. 5 lid 3 EVRM. (r.o. 89) Waar kan moet je proberen om iemand vrij te laten.
2. Er moet sprake zijn van ‘reasonable suspicion’ (redelijk vermoeden). R.o. 87. In het
Nederlandse recht heb je ernstige bezwaren nodig. Bij terrorisme geldt dit niet en is
een gewone verdenking voldoende.
3. In beginsel wel. Indien echter een zekere mate van tijd is verstreken, is enkel een
redelijke verdenking onvoldoende om een verdachte de vrijheid te ontnemen. Dan
dient naast een redelijk vermoeden van verdenking ook sprake te zijn van andere
relevante en toereikende redenen om de verdachte nog langer vast te kunnen
houden. (r.o. 92-102). Bij ons zijn de gronden voor voorlopige hechtenis de extra
gronden. Is op het moment waarop de verdachte wordt voorgeleid aan de rechter,
Werkgroep week 2
Arresten
Brogan tegen het Verenigd Koninkrijk
Rechtsregel: art. 5 lid 3 EVRM schrijft ‘promptly’ voorgeleiding voor. 4 dagen en 6 uur is te
lang; dit is niet meer promptly. §62
1. Het Hof stelt in r.o. 53 dat het feit dat ze niet voor een rechterlijke instantie zijn
geleid niet meteen betekend dat art. 5 lid 1 sub c EVRM is geschonden. In deze zaak
was bewijs dat nodig was om de verdachten voor een rechterlijke instantie te
geleiden ‘unobtainable’. Er is geen reden om te geloven dat de detentie van de
verdachten met een andere reden was dan het onderzoek voort te zetten met het
doel de verdenkingen te bevestigen of te ontkrachten. De arrestatie was hierop
gebaseerd. Er is geen schending van art. 5 lid 1 sub c EVRM.
2. Dit artikel bevat een fundamenteel mensenrecht, namelijk de bescherming van een
individu tegen willekeurige inmengingen met zijn recht op vrijheid door de staat. De
rechterlijke controle op verstoringen van het recht op vrijheid door de uitvoerende
macht is een essentieel kenmerk van de garantie vervat in art. 5 lid 3 EVRM, die
bedoeld is om het risico van willekeur te minimaliseren (r.o. 58).
3. Er is sprake van een schending van art. 5 lid 3 en lid 5 EVRM.
4. Ja. Dit beginsel is opgenomen in art. 15 lid 2 Gw.
Belang van het onderzoek
1. Verdachte is op heterdaad aangehouden wegens winkeldiefstal waarna hij is
voorgeleid aan de Hulpofficier van Justitie en vervolgens in verzekering gesteld.
2. Onder onderzoeksbelang wordt niet alleen begrepen het onderzoek naar het
mogelijk gepleegde strafbare feit, maar ook het onderzoek naar de mogelijkheid en
wenselijkheid een bevel tot voorlopige hechtenis te vorderen dan wel te geven. (r.o.
4.3) Is de rechtsregel uit dit arrest.
Buzadji tegen Moldavië
1. Art. 5 lid 3 EVRM. (r.o. 89) Waar kan moet je proberen om iemand vrij te laten.
2. Er moet sprake zijn van ‘reasonable suspicion’ (redelijk vermoeden). R.o. 87. In het
Nederlandse recht heb je ernstige bezwaren nodig. Bij terrorisme geldt dit niet en is
een gewone verdenking voldoende.
3. In beginsel wel. Indien echter een zekere mate van tijd is verstreken, is enkel een
redelijke verdenking onvoldoende om een verdachte de vrijheid te ontnemen. Dan
dient naast een redelijk vermoeden van verdenking ook sprake te zijn van andere
relevante en toereikende redenen om de verdachte nog langer vast te kunnen
houden. (r.o. 92-102). Bij ons zijn de gronden voor voorlopige hechtenis de extra
gronden. Is op het moment waarop de verdachte wordt voorgeleid aan de rechter,