Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Verdiepend privaatrecht samenvatting - cijfer 8.5

Beoordeling
5,0
(1)
Verkocht
13
Pagina's
62
Geüpload op
14-01-2025
Geschreven in
2024/2025

Dit document bevat (1) een beknopte samenvatting waarin de belangrijkste onderwerpen korter zijn opgenomen. Handig om te herhalen de laatste dagen voor het tentamen. Daar staan ook (mogelijke) tentamenvragen in waar de docent op heeft gehint tijdens de colleges. En (2) een uitgebreidere samenvatting. Met dit document een 8.5 voor de eerste kans behaald.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

Verdiepend privaatrecht



Samenvatting Verdiepend privaatrecht

Tentamen bevat 10 MC vragen (10 punten), en 7 open vragen (40 punten)

De eerste paar pagina’s bevatten een verkorte versie van de samenvatting (handig om de laatste dagen voor het
tentamen nog eens door te nemen). Daaronder is de uitgebreide samenvatting opgenomen!

HC 1

Eigendomsvoorbehoud = oplossing voor het onttrekken van ‘goederen’ aan het faillissement van de koper. Het
goed blijft in eigendom van de verkoper, totdat iemand heeft betaald.

TENTAMENVRAAG: Je bent rechthebbende van een vordering, géén eigenaar. Eigendom is beperkt tot zaken
(stoffelijke dingen ex art. 5:1 BW). Maar het is nuttig om er zo tegen aan te kijken, want het legt de nadruk op het
gegeven dat een vordering overdraagbaar is en dat je daar dus goederenrechtelijk iets mee kunt.

Overheidsobligatie = staatsschuld/lening aangegaan door de overheid. Beleggers lenen feitelijk geld aan de
overheid en ontvangen periodiek rente over het geïnvesteerde bedrag.

Beperkt recht = rechten afgeleid uit een meeromvattend recht, die met dat meer beperkte recht zijn bezwaard
(art. 3:8 BW). Voorbeelden zijn gebruiksrechten (vruchtgebruik, opstalrecht) en zekerheidsrechten (pand- en
hypotheek)

Overdracht van rechten uit overeenkomst: op grond van art. 3:84 lid 1 BW gelden drie vereisten:
- Beschikkingsbevoegdheid
- Geldige titel
- Levering
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich
tegen een overdracht verzet

HC 2

Online overeenkomst geschiedt net als bij fysieke overeenkomst door aanbod en aanvaarding (art. 6:217 BW).

De rol van de bestelknop bij online contracteren = art. 6:230v BW bevat een extra contractuele informatieplicht.
HvJEU Furhmann → bestelknop moet ondubbelzinnig informeren dat het aanklikken ervan leidt tot een
betalingsverplichting. Ook moet de knop eenduidig zijn. De consument moet kunnen vertrouwen op de tekst die
op de knop staat en weten welke overeenkomsten je sluit en welke betalingsverplichting dat met zich mee brengt.

Herroepingsrecht = op grond van art. 6:230o BW kan een product worden teruggestuurd binnen 14 dagen,
zonder opgaaf van redenen.
HvJEU Quelle → webwinkel mag geen geld vragen het gebruik van een kapot product tot dat het product is
vervangen.
HvJEU Messner → webwinkel mag wel geld in rekening brengen als op oneerlijke wijze voordeel wordt behaald
door het gebruiken van een kapot product.

Dark patterns = misleidende interface ontwerpen die consument onbewust sturen naar een bepaalde keuze, vaak
in het voordeel van de handelaar.
- Zie in dit kader de zwarte lijst ex art. 6:193c BW voor patterns die niet mogen. Daar ligt dus de grens
tussen geoorloofde marktdoeleinden en misleiding.
- Overeenkomst die tot stand komt door oneerlijke handelspraktijk is vernietigbaar ex art. 6:193j BW.

Kredietovereenkomst = vorm van uitstel van betaling of lening wordt verstrekt aan consument door een
kredietverstrekker (art. 7:57-7:73 BW).
- Van belang hierbij is de precontractuele informatieplicht ex art. 7:60 BW.
De BPNL-aanbieder voldoet aan de definitie van een kredietovereenkomst ex art. 7:57 lid 1 onder c BW
(ECLI:NL:HR:2023:1006 m.nt. Pavillon):
- Uitstel van betaling kan worden gekwalificeerd als krediet, ook al is het een alternatieve optie.
- De ‘totale kosten van het krediet’ moeten alle kosten omvatten, ook kleine kosten zoals ‘payment fee’
- Niet-nakomingskosten (incasso- en vertragingskosten) vallen niet automatisch onder de kredietkosten.
Deze moeten apart worden beoordeeld.
- Het begrip ‘moet betalen’ in de wet houdt in dat ook kosten die nog niet in rekening zijn gebracht, maar
de consument wel verschuldigd is, moeten worden meegeteld.
De kredietverstrekker dient aan kredietwaardigheid te toetsen (art. 4:34 Wet financieel toezicht) = de aanbieder
(kredietverstrekker) moet informatie inwinnen over de financiële positie van de consument, om te voorkomen dat
consumenten te hoge schulden aangaan.

,Verdiepend privaatrecht



Steeds staat een ‘rationeel handelende consument’ centraal als het gaat om informatie- en
waarschuwingsplichten = een consument die redelijk goed geïnformeerd is, en redelijk oplettend en omzichtig is.
Maar deze theorie staat onder druk vanwege nieuwe wetenschappelijke inzichten in de gedragswetenschap.
- Valkuilen aan de zijde van de consument:
o Niet lezen van informatie
 Information overload = te veel aan informatie (accumulation probleem)
 Tijdsgebrek
 Geen interesse of afkeer van lezen
o Moeilijke interpretatie (als de informatie al wordt gelezen)
 Complexe taal/financiële termen
 Laaggeletterdheid of beperkte juridische taalkennis
o Irrationele beslissing (als de informatie wel wordt begrepen)
 Framing = de manier waarop iets gepresenteerd wordt kan invloed hebben op de
beslissing
 Endowment effect = invloeden van buiten af, onmiddellijke beloning
 Overconfidence bias = overschatten zichzelf en nemen onnodige financiële risico’s

MOGELIJKE TENTAMENVRAAG: Ten aanzien van de gedeelde verantwoordelijkheid tussen
consument/onderneming:

Gedeelde verantwoordelijkheid lijkt de meest redelijke oplossing, waarbij het zwaartepunt verschuift naar de
onderneming. Consumenten worden geconfronteerd met heel veel informatie, informatie die soms moeilijk te
begrijpen is of consumenten maken geen rationele keuze. Daar komt nog bij dat vaak informatie asymmetrie
bestaat tussen onderneming en consument. De consument heeft vaak beperkte juridische kennis of beperkte
middelen om hiervan gebruik te maken. Ondernemingen hebben macht, middelen, kennis en controle over hoe
hun informatie wordt geformuleerd en verstrekt. Zij zijn in een betere positie om barrières weg te nemen om
consumenten te ondersteunen in het maken van verantwoorde keuzes. Bovendien hebben ondernemingen een
commercieel belang bij het aanbieden van producten of diensten, waardoor zij ook een grotere
verantwoordelijkheid moeten dragen om risico’s voor consumenten te beperken. Tegelijkertijd mag het niet zo zijn
dat consumenten helemaal geen verantwoordelijk meer moeten dragen. Zij zouden ook actief moeten deelnemen
aan het proces en keuzes moeten maken binnen hun vermogen.

Ca Consumer Finance SA v. Bakkaus en Bonato → persoonlijke leningen werden afgesloten, maar werden niet
terug betaald. Belangrijke dingen:
- Bewijslast = bewijslast ligt bij kredietgever. Hij moet bewijzen dat niet aan de informatieplicht is voldaan.
Deze mag vanwege het doeltreffendheidsbeginsel niet bij de consument liggen.
- Standaardbeding = standaardbeding waarin de consument bevestigt dat hij de vereiste informatie heeft
ontvangen, is onvoldoende om te bewijzen dat de kredietgever zijn precontractuele verplichtingen heeft
nagekomen.
- Kredietwaardigheid = kredietgever kan de waardigheid beoordelen op basis van informatie verstrekt
door consument, mits deze toereikend is en ondersteund wordt door bewijsstukken. De kredietgever
moet per geval beoordelen of informatie voldoende betrouwbaar is.
- Passende toelichting = geen specifieke vorm van toelichting vereist, zolang deze maar passend is
volgens nationale regels.
Dit arrest benadrukt het belang van transparantie en duidelijke informatie van de kredietgever naar de
consument. De consument mag niet worden belast met de bewijslast als de kredietgever zijn verplichtingen niet
nakomt. De kredietgever moet ook zorgen voor een zorgvuldige beoordeling van de kredietwaardigheid van de
consument en moet passende informatie geven voordat de lening wordt afgesloten.
HC3

Regels m.b.t. voldoen van schulden =
- In verzuim (art. 6:81 BW)
- Ingebrekestelling (art. 6:82 BW)
- Verzuim zonder ingebrekestelling (art. 6:83 BW)
- Kosten bij verzuim (art. 6:96 BW)

Bij verzuim kan de kredietverstrekker een gedwongen verkoop of executieverkoop aanvragen (bv. onder art. 7:2b
BW)  hypotheek

Bij wanbetaling kan de verhuurder de huurovereenkomst laten ontbinden (art. 7:201 BW)  huur

Casus oplossen voldoen van schulden:
Jan heeft een lening van 5k afgesloten bij zijn vriend Peter. In de leningsovereenkomst staat dat Jan het bedrag
binnen drie maanden moet terugbetalen. Na drie maanden heeft hij nog niet betaald, hoewel hij meerdere keren
is herinnert door Peter. Peter stuurt Jan een officiële ingebrekestelling. Jan reageert niet op de ingebrekestelling
en betaalt nog steeds niet. Na zes maanden is Jan nog steeds in verzuim, en Peter besluit de wettelijke rente en

,Verdiepend privaatrecht


buitengerechtelijke incassokosten te vorderen. Hij schakelt een incassobureau in. Jan zegt dat hij niet in staat is
om te betalen en dat hij financieel in de problemen zit.
- Jan is in verzuim (art. 6:81 BW). Omdat de termijn is verstreken en hij heeft niet betaald, ondanks
herhaalde verzoeken en ingebrekestelling.
- Het verzuim is door de ingebrekestelling geïnitieerd, waardoor Jan geen andere keus heeft dan betalen,
tenzij hij een rechtvaardiging heeft voor het uitblijven van betalen.
- Omdat Jan in verzuim is, kan Peter de wettelijke rente vorderen over het openstaande bedrag van 5k
(art. 6:119 BW). De termijn begint te lopen na de drie maanden.
- Peter heeft recht op buitengerechtelijke incassokosten voor de kosten die hij heeft gemaakt om de
betaling af te dwingen, zoals het inschakelen van het incassobureau. De kosten moeten redelijk zijn en
mogen niet meer bedragen dan de wettelijk vastgestelde bedragen (art. 6:96 BW).
- Het feit dat Jan aangeeft niet in staat is betalen, is geen verweer om het verzuim te voorkomen. Ook als
Jan financieel in de problemen zit, blijft hij verantwoordelijk voor de betaling, tenzij hij kan aantonen dat
het onmogelijk is om de schuld te voldoen (bv. in geval overmacht, wat in deze casus niet aan de orde
lijkt).
- Als Jan niet vrijwillig betaalt, kan Peter de vordering via de rechter afdwingen. Bv. door gerechtelijke
procedure te starten om een executoriale titel te verkrijgen en bv. salaris/bezittingen van Jan beslag te
leggen.

Wet Kwaliteit incassodienstverlening (Wki) = doel van de wet is regulering incassopraktijken, misstanden
beperken en consumentenbescherming. De wet maakt ook van een voorheen vrij beroep een gereguleerd
beroep. Twee pijlers: registratieplicht en kwaliteitseisen.
- Niet-advocaten en niet-deurwaarders moeten zich voortaan verplicht registreren in een verplicht register.
Deurwaarders en advocaten hoeven zich niet te registreren, maar moeten wel aan de kwaliteitseisen uit
de wet voldoen.
- Kwaliteitseisen zien op vakbekwaamheid, inzichtelijkheid van de vordering, de omgang met
schuldenaren, klachtenbehandeling.
- Art. 12 Wki introduceert een cumulatieregeling waardoor incassokosten worden beperkt. Art. 6:96 lid 8
wordt toegevoegd.
- Art. 18 Wki jo art. 6:34 BW = een schuldenaar kan bevrijdend betalen als hij niet weet dat een
dienstverlener niet geregistreerd is. Betaald hij aan iemand die niet bevoegd is, dan kan hij tegenwerpen
aan de juiste partij dat hij bevrijdend heeft betaald. Dan hoeft men niet nog eens te betalen aan de partij
aan wie eigenlijk moest worden betaald. Weet de schuldenaar wél dat sprake is van een onbevoegde,
dan kan hij dat niet. In dat geval kan hij betaling op schorten (art. 6:37 BW).
o Van Boom bekritiseert dit: als een schuldeiser betaalt aan een niet-bevoegd incassobureau, en
hij weet dit, dan kan hij niet bevrijdend betalen en zou hij de som nogmaals aan de schuldeiser
moeten betalen. De wet had volgens hem beter kunnen bepalen dat elke betaling aan een niet-
geregistreerd incassobureau wél bevrijdend zou zijn voor de schuldenaar, ook als hij weet dat
deze onbevoegd was. Een oplettende schuldenaar kan weigeren te betalen door zich te
beroepen op art. 6:37 BW, tenzij het incassobureau kan bewijzen dat het bevoegd is.
o Doel van deze regeling is eigenlijk: wetgever wil schuldeisers stimuleren om alleen in zee te
gaan met geregistreerde incassodienstverleners. Als een schuldeiser een onbevoegde
dienstverlener inschakelt, mag hij voor die schuld geen buitengerechtelijke incassokosten meer
in rekening brengen, nu niet en in de toekomst ook niet, ook niet als hij een wel bevoegd
kantoor inschakelt. Die hoofdsom is dan ‘besmet’. De hoofdsom kan dan alleen zonder
incassokosten worden geïnd en dat vermindert de waarde ervan.
Dit kan ook spelen bij een dienstverlener-cessionaris. Is een opkoper niet geregistreerd, kan de
schuldenaar die daarvan op de hoogte is, weigeren om te betalen. Het verschil met cessie en incasso is
echter dat er bij cessie in de regel geen andere partij bevoegd is tot inning (anders dan situaties uit art.
6:34 BW). De vraag komt dan op of de wetgever beoogd heeft dat de schuldenaar de vordering
helemaal niet meer hoeft te voldoen, indien cessionaris niet is geregistreerd. In dat geval zouden
schuldeisers sterk gemotiveerd zijn – althans moeten zijn – om het register na te checken. Het lijkt
vreemd dat een onwetende schuldenaar die wél betaalt aan een onbevoegde, geen vordering kan
instellen wegens onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW), aangezien betaling in zo’n geval
onrechtmatig zou zijn gedaan aan een onbevoegde partij.

Kwalificatie telefoonabonnement met telefoontoestel = een telefoonabonnement in de vorm van uitgestelde
betaling wordt beschouwd als kredietovereenkomst wanneer de consument een deel van de prijs van het toestel
direct betaalt, en de rest in termijnen gedurende de looptijd van het abonnement. Het enkele feit dat de betaling in
termijnen plaatsvindt is niet voldoende, maar de strekking van de overeenkomst is doorslaggevend voor de vraag
of sprake is van krediet. Het gaat erom of de overeenkomst in wezen op is gericht de consument krediet te
verstrekken.

HR Tenzij → niet iedere tekortkoming in de nakoming van een huurovereenkomst leidt tot ontbinding. De
volgende factoren spelen een rol:
- Ernst tekortkoming
- Duur overeenkomst

,Verdiepend privaatrecht


- Financiële positie van de huurder
- Gevolgen ontbinding voor de huurder

ECLI:NL:GHADHA:2024:363 → water was afgesloten bij een gezin met drie minderjarige kinderen. Er werd
betoogd dat de afsluiting van het water in strijd was met kinderrechten, omdat zij toegang op drinkwater moeten
hebben. In dit kader moet sprake zijn van een zorgvuldige belangenafweging. Water is een basisvoorziening en
afsluiten ervan kan verstrekkende gevolgen hebben voor gezondheid en welzijn van een persoon (of kind).

HC 4

Nemoplus beginsel = niemand kan meer rechten overdragen dan dat hij zelf heeft. Verkoop je een woning, dan
kan jij slechts de woning bezwaard met het hypotheekrecht overdragen.

Basis van het Nederlands verhaalsrecht = art. 3:276 BW, je staat met je gehele vermogen in voor je schulden

HR Teixeira de Mattos → twee cliënten gaven aandelen aan toonder (effecten) in bewaring bij een kluis in de
bank. Ze hadden een overeenkomst afgesproken waarin stond dat de bank nummeradministratie zou bijhouden,
want dan kon oneigenlijke vermenging voorkomen worden. Oneigenlijke vermenging = zaken als zijn als zodanig
nog individualiseerbaar, maar het is niet meer mogelijk om eigendom aan te tonen. De bank ging failliet, en had
geen nummer administratie bijgehouden. Daardoor konden de twee cliënten niet bewijzen welke aandelen van
hun waren.
- De aandelen werden beschouwd als eigendom van de bank (bewijsvermoedens van art. 3:109 en 3:119
BW). Omdat de cliënten niet konden bewijzen welke aandelen van hun waren, konden ze hun eigendom
niet revindiceren (art. 5:1 BW).
- In dit geval beriep de curator zich op art. 26 Faillissementswet (verhaalsrecht). De aanspraak op grond
van het bewaringscontract is verbintenisrechtelijk, en kan maar op één manier geldig worden gemaakt:
indiening ter verificatie.
Teixeira illustreert indirect de werking van art. 3:276 BW. De bank ging failliet en haar vermogen, inclusief de
aandelen die niet konden worden geïndividualiseerd, viel in de failliete boedel. De twee cliënten werden
concurrente schuldeisers, wat betekent dat zij hun vordering op de bank moesten delen met alle anderen
schuldeisers.
- Hoofdregel = als iemand zijn eigendomsrecht op een zaak uit een hoeveelheid soortgelijke zaken erkend
wil zien, hij precies en nauwkeurig moet kunnen aantonen welke zaak aan hem toebehoort. De zaak
moet te onderscheiden zijn van andere zaken en voldoende identificeerbaar zijn.

Teixeira was de aanleiding voor de wetgever geweest om de Wet giraal effectenverkeer te introduceren:
- Poolen van effecten van dezelfde soort in een verzameldepot bij aangesloten instellingen. De beleger
wordt deelgenoot (mede-eigenaar) in dat verzameldepot
- Die aangesloten instellingen deponeren effecten bij een centraal instituut. Daar wordt een girodepot
gehouden, wat toebehoort aan de deelgenoten in het verzameldepot

Het insolventierisico op de bewaarnemer zoals in Teixeira, speelt (onder normale omstandigheden) niet bij
roerende zaken. Enkel als er iets misgaat bij de bewaargever – denk aan een situatie waarin iemand identieke
gouden munten bewaart voor verschillende cliënten – zonder bij te houden welke munten door welke cliënten in
bewaring zijn gegeven, loopt de bewaargever het risico zijn eigendomsrecht te verliezen (= oneigenlijke
vermenging).
- Bij een tussenpersoon die je inschakelt om een kunstcollectie op te bouwen speelt dit probleem niet.
Dan treedt art. 3:110 BW in werking. Tussenpersoon wordt slechts houder van kunstwerken, terwijl jij
middellijk bezitter en eigenaar wordt. Gaat de tussenpersoon failliet, kun je de kunstwerken die hij voor
jou heeft verkregen gewoon revindiceren, omdat ze jouw eigendom zijn.
- Gaat de bewaarnemer failliet en heeft hij alle gouden munten op een grote hoop gegooid, zonder dat
nog kan worden aangetoond wie eigenaar is van welke munten, treden de bewijsvermoedens van art.
3:109 en 3:119 BW in werking.
o Bewaarnemer wordt vermoed rechthebbende te zijn
o Alleen de bewaargever die kan aantonen welke munten van hem zijn, kan de eigendom
daarvan claimen (= revindicatie ex art. 5:1 BW)

DUS: in een normale situatie, waarin een bewaarnemer een behoorlijke administratie voert en geen eigen zaken
toevoegt aan de zaken die hij voor derden bewaart, bestaat er juist géén insolventierisico op de bewaarnemer.
Degenen die zaken in bewaring hebben gegeven blijven zelf eigenaar en kunnen in geval van faillissement van
de bewaarnemer hun zaken gewoon revindiceren.
- NB: de bewaarnemingsovereenkomst (art. 7:600 BW) neemt roerende zaken als uitgangspunt!

Bij geld liggen de zaken fundamenteel anders. Wie geld ‘in bewaring geeft’ bij de bank, gaat geen
bewaarnemingsovereenkomst aan, maar verstrekt een lening aan de bank en heeft slechts een concurrente
vordering tot uitbetaling van die gelden (= verbintenisrechtelijke aanspraak op de bank). En dat is niet omdat er
sprake zou zijn van oneigenlijke vermenging, want dat doet zich uitsluitend bij zaken voor. Bij giraal geld is nu

,Verdiepend privaatrecht


juist sprake van een administratie waaruit de aanspraken van de verschillende rekeninghouders precies kunnen
worden afgeleid. Dat is omdat er géén sprake is van fysiek geld, maar van giraal geld.
- Het hele bancaire systeem bestaat uit verbintenisrechtelijke aanspraken van rekeninghouders jegens
hun bank.
- Over het algemeen kan contant geld worden opgenomen, maar de rekeninghouder revindiceert dan niet
eerder door haar in bewaring gegeven contant geld, maar verkrijgt willekeurige bankbiljetten die uit een
geldautomaat komen en die vóór afgifte eigendom waren van de bank zelf.
- Iedereen die contant geld stort, weet dat die specifieke biljetten niet voor hem individueel bewaart wordt,
maar dat het toegevoegd wordt aan de bancaire voorraad, waarmee vervolgens weer bankautomaten
worden gevuld.
o Iedere rekeninghouder loopt hiermee dus een insolventierisico op zijn bank.

TENTAMENVRAAG: waarom geeft de curator bij HR Teixeira de Mattos niet gewoon de effecten terug? Er lagen
er vier in de kluis en er waren vier effecten uitgegeven? Er zijn juridische argumenten om dat niet te doen:
- Regels van bezit en eigendom. Goederen die geleverd worden door bezitverschaffing (art. 3:90 lid 1
BW), daar kun je rechtstreeks verkrijgingsregels van art. 3:110 BW op van toepassen. De administratie
was niet behoorlijk uitgevoerd.
- Daarmee werden de effecten beschouwd als eigendom van de bank.
- Hoewel de Wet giraal effectenverkeer zodanige problemen ten aanzien van aandeelcertificaten anno
2022 voorkomt, wordt het oordeel van de Hoge Raad in het Teixeira de Mattos-arrest nog altijd
toegepast op tal van andere situaties van oneigenlijke vermenging: van identieke wijnflessen in een
wijnkelder tot gelijksoortige bankbiljetten in een portemonnee. Om die reden is dit ruim vijftig jaar oude
arrest met recht een klassieker te noemen.

HR Kas/Associate Drying → art. 3:110 BW (tussenpersoon) geldt enkel voor door bezitsverschaffing geleverde
roerende zaken! Dit arrest ging ook over een tussenpersoon, namelijk een kantoor die effecten koopt in opdracht
van een cliënt. De vraag was of de tussenpersoon rechthebbende wordt van effecten, of dat de cliënt direct
eigenaar wordt.
- Omdat art. 3:110 alleen geldt voor roerende zaken en het hier niet gaat om een roerende zaak, kunnen
deze regels niet worden toegepast. Daarmee vallen de effecten in beginsel in het vermogen van de
tussenpersoon.
- De cliënt wordt pas rechthebbende na doorlevering van de effecten op grond van art. 17 Wet giraal
effectenverkeer (WGE).
- Iedereen die geld of girale effecten laat beheren door iemand anders, loopt in beginsel een
insolventierisico wanneer de bankrekening op naam van de tussenpersoon staat.

TENTAMENVRAAG: Hoe worden roerende zaken geleverd? Door middel van feitelijke bezitsverschaffing ex art.
3:90 lid 1 BW.

TENTAMENVRAAG: Stel je gaat op studentenreis en betaalt €600,- CONTANT aan een penningmeester. De
penningmeester gaat failliet. Moet je dan een vordering ter verificatie indienen, of kan je je €600,- rechtstreeks
terugkrijgen? NOG NAAR KIJKEN!
- Contant geld is roerend en wordt geleverd d.m.v. bezitsverschaffing. Dan zijn de regels uit HR
Kas/Associate Drying van toepassing: art. 3:110 en 3:119 BW. Afhankelijk van of het geld op een stapel
is gegooid of netjes is bijgehouden aan wie welk geld toebehoort, valt het in de boedel of niet.
o Is het netjes bijgehouden -> valt niet in de boedel en dan rechtstreeks revindiceren
o Is het niet netjes bijgehouden -> dan vordering ter verificatie (Teixeira de Mattos)

HR Beatrixziekenhuis/Procall → ziekenhuis had inning van facturen uitbesteed aan Procall. Procall opende een
rekening ten name van het Beatrixziekenhuis waar de ontvangen gelden op werden gestort. Procall ging failliet.
Het ziekenhuis claimde dat het geld op de rekening aan haar toebehoorde.
- Het probleem was NIET dat niet kon worden aangegeven welk geld van het ziekenhuis behoorde. Dat
kon makkelijk, er was immers een rekening geopend. Probleem van oneigenlijke vermenging speelt hier
niet (zoals bij Teixeira).
o Probleem was juist: je kunt niet zomaar buiten de boedel om het geld naar je toetrekken.
- In dit geval kon art. 3:110 BW niet worden toegepast. Giraal geld wordt niet geleverd door
bezitsverschaffing, want het is geen roerende zaak.
- Daarmee had het ziekenhuis enkel een verbintenisrechtelijke aanspraak tot afgifte van het geld. De HR
stelde dat je niet zomaar buiten de boedel om dat geld op die rekening naar je kan toetrekken, ook al
kan je bewijzen dat het geld van jou is. Het probleem was namelijk niet dat niet kon worden aangewezen
welk geld van het ziekenhuis was. Dat was heel duidelijk, het geld stond immers op een aparte
bankrekening ten name van het ziekenhuis (oneigenlijke vermenging komt niet voor bij bankrekeningen).
- HR zei verder nog dat het over voorrang gaat. Als het geld aan het ziekenhuis zou worden gegeven, dan
hebben zij dus voorrang op de boedel. Maar je kunt niet zeggen dat het ziekenhuis het geld krijgt, want
dat is niet mogelijk van de fundamentele regel van art. 3:277 BW: redenen van voorrang moeten
voortvloeien uit de wet.

,Verdiepend privaatrecht


- De verdediging deed een beroep op een wettelijke kwaliteitsrekening, zoals dat voor deurwaarders en
notarissen bestaat. De HR zei echter dat het niet wettelijk is geregeld voor o.a. incassobureaus (Procall).
Er kan enkel een uitzondering worden aanvaard op art. 3:276 BW als de wet dat bepaalt. Gezien de
rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer dient de Hoge Raad zich terughoudend op
te stellen.
- Voor deurwaarders en notarissen bestaat zo’n uitzondering. Dat heeft te maken met het feit dat zij het
publiek beschermen, gelden van derden onder zich hebben waarbij die derden erop moeten vertrouwen
dat hen wettelijke taak met zich meebrengt dat kan worden vertrouwd. Advocaten en accountants
verkeren ook in deze positie.
Een Engels jurist zou op de volgende manier naar deze casus kijken: deze zou constateren dat er een
belanghebbende is, namelijk het ziekenhuis. En dat er ook een formeel juridisch rechthebbende is, namelijk het
incassobureau. In die situatie is dat een trust. Procall is dan juridisch eigenaar (trustee) en het ziekenhuis de
begunstigde (beneficiary). Wat naar Nederlands recht niét kan, maar naar Engels recht wél = de trustee is
weliswaar juridisch eigenaar, maar in faillissement heeft het ziekenhuis een sterke aanspraak, omdat je aanvaardt
dat een deel van het vermogen (bankrekening) is afgescheiden van het privévermogen. Het Engels recht stelt
dan: de begunstigde heeft een goederenrechtelijke aanspraak op dat deel van het vermogen dat evident wordt
gehouden ten behoeve van de begunstigde. Hiermee aanvaart het Engels recht een afgescheiden vermogen.

TENTAMENVRAAG: Waarom gaf de curator het geld niet gewoon terug aan het ziekenhuis, het was immers
duidelijk welk en hoeveel geld eigenlijk aan het ziekenhuis toebehoorde?
- Giraal geld wordt niet geleverd door bezitsverschaffing. Eigenlijk wordt het niet eens geleverd. Het is
eigenlijk een soort administratie. We hebben een banksaldo met bankrekening. Het is in ieder geval niet
een goed waarop we de regel van art. 3:110 BW kunnen toepassen. Want het is niet roerend. Het is
sneu voor het ziekenhuis als het geld in het faillissement blijft hangen, dat ziet iedereen wel. Maar hoe
kan je daar dan komen? Gerechtvaardigde oplossing zou zijn dat het geld naar het ziekenhuis moest,
maar de conclusie was toch Procall was rechthebbende. Het ziekenhuis moest een indiening ter
verificatie doen (verbintenisrechtelijke aanspraak), want het geld viel in de failliete boedel van Procall.
Argumenten HR:
- We hebben het over voorrang, als je het geld aan het ziekenhuis geeft, dan geef je het ziekenhuis
voorrang. Het ziekenhuis is immers niet de enige die nog geld krijgt van Procall, anders zou het niet
failliet zijn. In beginsel heeft iedereen gelijke rang (art. 3:277 BW), tenzij de wet anders bepaalt. Als je
zou zeggen het geld komt toe aan het ziekenhuis, dan benadeel je andere schuldeisers. Je kan dat
alleen maar zeggen als daar een wettelijke grondslag voor is. Hier was geen wettelijke regeling voor
voorrang aan te geven (art. 3:278 BW).
o Als de HR de claim tot directe afgifte zou honoreren, zou dat neerkomen op een aanvaarding
van de Trust én daar gaat de HR niet over. Dat is uitdrukkelijk opgedragen aan de
politiek/wetgever.
- Er waren ook andere oplossingen mogelijk om dit te voorkomen:
o Stichting oprichten = die stichting mag niets anders doen dan die bankrekening aanhouden. Het
geld valt dan niet in het vermogen van Procall, maar in het vermogen van de stichting. De
doelstelling van stichting moet dan zijn: het uitkeren van het geld aan de partij die daar volgens
de administratie recht op heeft. Advocaten doen dit vaak (derdengeldenrekening advocaten)
o Verpanden banksaldo = dan had een deel van de schade kunnen worden voorkomen, in ieder
geval dat saldo dat vóór de faillissementsverklaring op de rekening stond had op die manier
veilig kunnen worden gesteld.
 Bij verpanding is verzekerde vordering nodig: dat is in dit geval de verplichting om dat
saldo af te dragen in faillissement, want die verzeker je dan.
o Wettelijke kwaliteitsrekening
o Lastgeving c.q. paardensprong = ziekenhuis had als lastgever mogelijk de rechten van Procall
als lasthebber, jegens de bank op zich kunnen doen overgaan met gebruikmaking van art.
7:420 lid 1 BW (art. 7:414 BW). De lasthebber voert specifieke juridische taken
(rechtshandelingen) uit, zoals het innen van schulden. Het geeft de mogelijkheid om
rechtstreeks actie te ondernemen, zonder de tussenpersoon.
- De verdediging deed een beroep op een wettelijke kwaliteitsrekening, zoals dat voor deurwaarders en
notarissen bestaat. De HR zei echter dat het niet wettelijk is geregeld voor o.a. incassobureaus (Procall).
Er kan enkel een uitzondering worden aanvaard op art. 3:276 BW als de wet dat bepaalt. Gezien de
rechtszekerheid en de belangen van het financieringsverkeer dient de Hoge Raad zich terughoudend op
te stellen.
o Wel voor accountants en advocaten

Waarom is het verpanden van een banksaldo onhandig? Bankrekening verpanden is onhandig, want een
bankrekening verandert steeds. Elke keer dat er geld op de rekening wordt gestort, ontstaat er een nieuwe
vordering van de rekeninghouder op de bank. Deze vordering vloeit niet voort uit de bestaande bankrekening,
maar uit elke nieuwe storting op die rekening (HR Postgiro arrest). Daarom kunnen ze niet stil verpand worden.
Dat moet immers voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding (art. 3:239 BW). Elke storting zou dan
opnieuw verpand moeten worden (als het stil gebeurt).

,Verdiepend privaatrecht


In het geval van het Beatrixziekenhuis, hadden ze moeten kiezen voor een openbaar pandrecht. Dat is om ervoor
te zorgen dat ook toekomstige facturen die betaald worden te vangen. Maar openbare verpanding kost enorm
veel tijd (akte + mededeling). De oplossing hiervoor is volmacht constructies (HR Dix/ING) = de bank geeft
namens alle pandgevers alle volmachtgoederen van die pandgever aan de bank in pand. De bank aanvaardt die
verpanding.
- Dat is niet in strijd met het bepaalbaarheidsvereiste uit art. 3:84 lid 2 BW, omdat dit soepel wordt
uitgelegd ex HR Spaarbank/Rivierenland → voldoende is dat eventueel achteraf kan worden
aangetoond om welke vordering het gaat.
- Een generieke omschrijving is voldoende ex HR Dix/ING.

Terughoudende opstelling van de HR in HR Beatrixziekenhuis/Procall. De regel uit art. 3:276 BW is zo
fundamenteel, dat het niet aan de rechter is om daaraan te sleutelen. Een stelselwijziging zou allerlei nieuwe
onduidelijkheden in het leven roepen en daarmee zou de HR op de stoel van de wetgever gaan zitten.
- Enige BUITENWETTELIJKE uitzondering is de derdengeldenstichting voor advocaten en accountants
door de HR aangenomen. Dat past immers binnen het stelsel van de wet en sluit aan bij de wel wettelijk
geregelde gevallen (notaris/deurwaarder).

Lastgevingsovereenkomst c.q. paardensprong = het ziekenhuis heeft incassobureau Procall ingeschakeld om
debiteurenbeheer te doen. Dat is een vorm van dienstverlening. In het kader daarvan moet Procall van alles
doen, nml facturen uitsturen/bankrekening openen zodat het geld geïnd kan worden, aanmaningen versturen e.d.
Dat valt te vatten onder de definitie van lastgeving = bijzondere overeenkomst uit BW7 (art. 7:414 BW), lastgever
(opdrachtgever/ziekenhuis) geeft opdracht om één of meer rechtshandelingen te verrichten aan de lasthebber
(opdrachtnemer/Procall). Hij moet dit doen voor rekening van de lastgever. Dat is de achterliggende gedachte,
want de belanghebbende partij ten aanzien van deze handelingen moeten zij dit allemaal doen.
- Art. 7:420 BW (paardensprong) beschermt tegen het faillissement van de lasthebber. In dit geval Procall.
- D.m.v. een schriftelijke verklaring aan bank en lasthebber, kun je de voor overgang vatbare rechten op je
doen overgaan.
o NB: het is géén overdracht, maar wel voor overgang vatbare rechten. Die rechten maken door
die overgang (brieven) geen deel meer uit van de failliete boedel. Ze zijn overgegaan op het
ziekenhuis en dan had het saldo gewoon geïnd kunnen worden door het ziekenhuis.
- In deze zaak (HR Beatrixziekenhuis/Procall) werd dit over het hoofd gezien.
- In iedere situatie waarin je faillissement tegenkomt, kijk of je lastgevingsovereenkomst kan inlezen en of
dat niet ergens er toe leidt dat je voor overgang vatbare rechten op je kan doen overgaan, dan ontspring
je de hele faillissementsdans (min. 22 van HC6).

HR Rabobank/Reuser  het is mogelijk om een pandrecht te vestigen op een voorwaardelijk eigendomsrecht.
Dat komt omdat de eigendom afhankelijk is van de betaling.

HC5

TENTAMENVRAAG: Geef aan waarom art. 26 Fw er toe leidt dat verbintenisrechtelijke aanspraken in F ‘zwak’
zijn:
- Verbintenisrechtelijke aanspraken worden als zacht beschouwt omdat individuele schuldeisers hun
rechten niet zelfstandig kunnen afdwingen. Ze moeten een vordering ter verificatie indienen (art. 110
Fw). Omdat bevoorrechte schuldeisers en pand- en hypotheekrechten voorgaan, valt er vaak niets of
niet veel meer te halen uit de failliete boedel.

TENTAMENVRAAG: Geef aan op welke wijze(n) een vordering op naam kan worden geleverd
- Vordering op naam vindt plaats door middel van cessie. Allereerst dient aan de voorwaarden voor
overdracht te zijn voldaan (art. 3:84 BW). Er moet sprake zijn van geldige titel en
beschikkingsbevoegdheid. Levering vindt plaats door middel van stille cessie of openbare cessie (art.
3:94 lid 1 of 2 BW).

TENTAMENVRAAG: Leg uit waar het Teixeira-arrest over gaat
- Twee cliënten hadden effecten in bewaring gegeven aan de bank. Ze sloten een
bewaarnemingsovereenkomst waarin stond dat de bank een administratie zou voeren ten behoeve van
de effecten, dus dat duidelijk was van wie welke effecten waren. Echter had de bank dit nagelaten. De
bank ging failliet. Er was toen sprake van oneigenlijke vermenging, want de effecten als zodanig waren
wel nog individualiseerbaar, maar het was niet meer mogelijk om het eigendom van de effecten aan te
tonen. Toen de bank failliet ging wilde de eigenaren van de effecten deze revindiceren (art. 5:1 BW).
Echter zei de bank dat dan niet kon vanwege de bewijsvermoedens van BW3. In dit geval werd de bank
als rechthebbende gezien op grond van de regels van art. 3:109 en 3:110 BW. Daardoor konden de
oorspronkelijke eigenaren enkel een indiening ter verificatie indienen.
- Teixeira was de aanleiding voor Wet giraal effectenverkeer. Voor effecten worden dergelijke situaties nu
op die manier opgelost. Daarbij wordt gedaan: het poolen van effecten in een soort verzameldepot.
Effectenhouders worden op die manier mede-eigenaar in een verzameldepot. Dat kan vervolgens
worden gedeponeerd bij een aangesloten instelling.

, Verdiepend privaatrecht



TENTAMENVRAAG: Geef aan of de Hoge Raad in Beatrix/Procall de trust aanvaardt voor het Nederlandse recht
- Nee de HR aanvaardt geen Trust voor het Nederlands recht. De HR benadrukt dat de regel uit art. 3:276
BW zo fundamenteel is, dat het niet aan hem is voorbehouden om hier uitzonderingen op te formuleren.
Die taak is uitdrukkelijk aan de wetgever voorbehouden. Het is een beslissing van politieke aard.

TENTAMENVRAAG: Geef aan wat een schuld is, een verbintenis en een vordering en op welke wijze deze
begrippen samenhangen
- Een verbintenis is een vermogensrechtelijke rechtsbetrekking waarbij een de ene partij is verplicht tot
een bepaalde prestatie, waartoe de andere partij is gerechtigd. Een verbintenis bevat twee zijden: een
actieve zijde, dat is het vorderingsrecht, en een passieve zijde dat is de schuld.

TENTAMENVRAAG: Omschrijf het Engelsrechtelijke trustbegrip en geef aan in hoeverre deze rechtsfiguur in het
Nederlands recht voorkomt
- Trust = rechtsfiguur die het mogelijk maakt om een afgescheiden vermogen te creëren en te laten
beheren door een trustee ten behoeve van een begunstigde. De trustgoederen vallen niet binnen het
vermogen van de trustee, daarmee worden ze beschermd tegen privéschuldeisers van de trustee. Het
komt erop neer dat de juridisch eigenaar en economisch eigenaar van elkaar worden gescheiden. In
Nederland kent men geen trust. Er zijn echter wel figuren die daar erg op lijken: wettelijke
kwaliteitsrekening voor notarissen of voor deurwaarders. Zij hebben vanwege hun wettelijke taak veel
geld van anderen onder zich. Het is in het voordeel van de economie en dergelijke dat deze personen
vertrouwd kunnen worden. Als notaris en deurwaarder failliet gaan, blijft het saldo op de wettelijke
kwaliteitsrekening toebehoren aan rechthebbenden (cliënten).

TENTAMENVRAAG: Stelling: het Haags Trustverdrag introduceert de rechtsfiguur van trust in het Nederlands
recht:
- Dat is onjuist. Het Haags Trustverdrag is een internationaal privaatrechtelijk verdrag. Nederland erkent
hiermee naar buitenlandsrecht het bestaan van de rechtsfiguur, maar het voert uitdrukkelijk géén trust in.
Door de rechtsfiguur te erkennen zorgen we ervoor dat NL juridisch toegankelijk blijft en dat een rechter
niet kan zeggen van een trust hebben wij nog nooit gehoord.

Argumenten Meijers:
- Eenheid van eigendom = hij vond dat juridisch rechthebbende en economisch rechthebbende (of
eigenaar) dezelfde moeten zijn. Degene die financiële voordelen van een goed heeft, moet ook de
risico’s ervan dragen.
- De trust zou zorgen voor onnodige verwarring en onzekerheid in de rechtspraktijk.
- Het past niet in het stelsel van het burgerlijk wetboek waarin de kern art. 3:276 BW is.

Eigen oordeel invoering Trust:
TEGEN: Het botst met fundamentele principes uit het Burgerlijk Wetboek, met name de kernbepaling uit art.
3:276 BW. Als we de trust zouden invoeren zou dat onvoorziene consequenties hebben voor het gehele
rechtssysteem. Wij hebben in Nederland nog niet genoeg kennis van de trust. In Engeland daarentegen bestaat
zo’n trust al jaren en daar kan men ook adequaat reageren door middel van nieuwe wetgeving.
Ook bestaan er al alternatieven die vergelijkbare bescherming bieden als een trust. Er hoeft dan geen nieuw
rechtsfiguur in het leven worden geroepen. Die alternatieve mechanismen zijn verpanding, gebruik van een
stichting met derdengeldrekening, de notariële kwaliteitsrekening, wettelijke regelingen in de Wft en de
paardensprong.

VOOR: Het zorgt voor een effectievere bescherming van economische belangen tegen de insolventie van een
tussenpersoon. Het is een hele flexibele rechtsfiguur die kan worden aangepast aan specifieke behoeften, denk
aan vermogensbeheer, bescherming van schuldeisers, belastingplanning en het regelen van familieverhoudingen.

HC 6

HR Oryx/Van Eesteren → een verpandingsverbod staat in de weg aan geldigheid van de verpanding. Art. 3:83 lid
2 BW brengt met zich mee dat de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten door middel van
een beding. Een overdracht in strijd met zo’n beding levert wanprestatie op tegenover zijn schuldenaar
(verbintenisrechtelijk), maar heeft ook ongeldigheid van die overdracht tot gevolg (goederenrechtelijk). Krachtens
art. 3:98 BW geldt dit ook voor verpanding.
- NB: het leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van de gerechtigde tot de vordering, maar tot niet-
verdraagbaarheid van de vordering zelf.

De banken vonden dit niet leuk:
- Factoring en andere transacties waarvan de basis is dat je vordering overdraagt, verkoopt of
voorfinanciert werden bemoeilijkt.
- Gewone bedrijfsfinanciering werd ook geraakt. Bank wil krediet wel verstrekken, maar dan moet je
zekerheid verschaffen (pand- of hypotheekrecht = tot zekerheid van terugbetaling van die lening). Het

Documentinformatie

Geüpload op
14 januari 2025
Aantal pagina's
62
Geschreven in
2024/2025
Type
SAMENVATTING
€11,76
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Beoordelingen van geverifieerde kopers

Alle reviews worden weergegeven
1 jaar geleden

Zeer goede samenvatting! Heeft me echt geholpen met mijn herkansing!

5,0

1 beoordelingen

5
1
4
0
3
0
2
0
1
0
Betrouwbare reviews op Stuvia

Alle beoordelingen zijn geschreven door echte Stuvia-gebruikers na geverifieerde aankopen.

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
shuvt2000 Tilburg University
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
109
Lid sinds
2 jaar
Aantal volgers
3
Documenten
4
Laatst verkocht
2 weken geleden

4,8

6 beoordelingen

5
5
4
1
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen