B1: Aarde, klimaat en landschappen
De Aarde draait in 1 jaar een rondje om
de zon, dit is de aardbaan. Daarnaast
draait de Aarde ook nog om haar eigen
as: de aardrotatie. Deze duurt 1 dag.
Doordat de Aarde een beetje scheef is,
hebben we seizoenen. De Aarde is op te
delen in een noordelijk- en zuidelijk
halfrond, hierdoor kunnen we
geografische coördinaten gebruiken om
de precieze plek te vinden op de Aarde.
Een andere manier om de Aarde in te delen zijn de tijdzones.
De Aarde kent verschillende klimaten. Klimaten zijn afhankelijk van verschillende factoren,
zoals temperatuur en neerslag. Er zijn 3 klimaatzones:
- de tropen;
- de gematigde gebieden;
- de poolgebieden.
De keerkringen en de poolcirkels liggen tussen deze zones. Rond de evenaar is het erg
warm en nat. Hoe verder weg je van de evenaar gaat, hoe kouder het er is. De
hoogteligging en de ligging van grote wateroppervlakten hebben ook te maken met het
klimaat. Het klimaat kan worden gezien als de gemiddelde weerstoestand over 30 of 50 jaar.
Het klimaat van eeuwen geleden kan je nu nog steeds herkennen. Zo zijn er door en door
het klimaat van vroeger stuwwallen ontstaan. Nu is het grondgebruik minder gebonden aan
het type bodem en locatie als vroeger, maar er zijn nog steeds patronen zichtbaar.
B2: Bevolking en ruimte
De spreiding van de bevolking op de is niet willekeurig. Mensen gaan wonen op plekken
waar er voldoende basisvoorzieningen zijn om te leven. Denk hierbij aan voldoende
drinkwater en genoeg goede landbouwgrond om voedsel te produceren. Langs de kust en
op plekken met een gematigd klimaat is de bevolkingsdichtheid ook relatief hoog. In
reliëfrijke gebieden, zoals in de bergen, wonen relatief weinig mensen.
Steden ontstonden vroeger op plekken waar handelswegen elkaar kruisen, of op
strategische plekken. Grote steden (1 miljoen + inwoners) ontstonden pas na de Industriële
Revolutie door de mechanisatie in de landbouw. Hierdoor ontstond er een overschot aan
landarbeiders op het platteland. Deze landarbeiders trokken naar de stad om te gaan
werken in de industrie. Veel arbeiders kwamen te wonen in de stadsdelen rond het centrum.
De groei van de stad noemen we urbanisatie. Door de groei van het aantal inwoners
ontstonden er problemen. Overvolle steden met slechte behuizing en een ongezond milieu
waren veel voorkomende problemen die ervoor zorgden dat men weer wegging uit de stad.
Dit waren vooral mensen die veel geld hadden. De arme mensen bleven hier wonen. Dit
noemen we suburbanisatie. De leegstaande huizen en appartementen worden opgevuld
met nieuwkomers die niet zoveel geld hadden. Dit leidt ertoe dat er in sommige steden
, krottenwijken ontstonden en ook tot segregatie: bevolkingsgroepen gaan apart leven en
mensen blijven (noodgedwongen) binnen hun eigen groep. Bij een toename van de welvaart
worden krottenwijken vaak gesloopt of gerenoveerd. De stad wordt hierdoor aantrekkelijk
gemaakt om als woongebied te dienen, zodat welvarende mensen er weer gaan wonen. Dit
noemen we re-urbanisatie. Urbanisatie komt in bijna alle landen voor. In Nederland vindt
vanaf de jaren 60 een grote suburbanisatie plaats. Deze eeuw is er sprake van een grote
re-urbanisatie.
Door de groei van de steden ontstaan er mega steden: steden met meer dan 15 miljoen
inwoners. In veel landen groeien steden aan elkaar tot een stedelijk gebied, bijvoorbeeld de
Randstad. Door de groei van steden en de toegenomen mobiliteit ontstaan er grote
bereikbaarheidsproblemen.
De ontwikkeling van de bevolking vindt op 2 manieren plaats:
- natuurlijke groei;
- instroom uit een ander gebied.
De natuurlijke groei komt voort uit het aantal geboren kinderen en het aantal sterfgevallen.
Met deze cijfers kun je de groei van de bevolking in een gebied goed beschrijven. Als er
meer mensen geboren worden dan er sterven, spreek je van een geboorteoverschot.
Andersom is er een sterfteoverschot.
De andere oorzaak van groei of afname van de bevolking is migratie. Mensen migreren
naar een land om verschillende redenen. Zo kan het komen door oorlog, politieke redenen of
om een beter leven te krijgen. Wanneer je vertrekt uit een land noemen we emigratie.
Overal op de wereld vinden grote migraties tussen landen plaats.
De leeftijdsopbouw van een bevolking geeft aan hoe de verdeling tussen mannen en
vrouwen is en hoe jong en oud zich verhoudt. Veel landen in Europa hebben een
vergrijzende bevolking. Dit houdt in dat er relatief weinig mensen worden geboren en men
steeds ouder wordt. In minder welvarende landen blijft het geboortecijfer vaak erg hoog,
terwijl het sterftecijfer daalt. Dit is een belangrijke oorzaak van de enorme groei van de
bevolking op de wereld.
B3: Bestaansmiddelen
De bekendste indeling in bestaansmiddelen is landbouw, industrie en dienstverlening. In de
landbouw worden de Aarde en de zee gebruikt om voedsel voor de mens te produceren. De
productiviteit is de laatste 100 jaar enorm gestegen door het gebruik van betere
landbouwmethoden, zoals drainage, irrigatie en het gebruik van kunstmest. Bosbouw en
mijnbouw leveren grondstoffen, zoals aardolie en kolen voor de industrie. In de industrie
worden grondstoffen verwerkt tot halffabricaten. Sommige grondstoffen kunnen uit afval
gewonnen worden, zoals schroot of oud papier: recyclen. In de textielindustrie worden
kleren gemaakt en in de metaalindustrie delfstoffen verwerkt tot staal of aluminium. In
andere bedrijven worden deze halffabricaten gebruikt voor de productie van auto’s of andere
eindproducten.
De Aarde draait in 1 jaar een rondje om
de zon, dit is de aardbaan. Daarnaast
draait de Aarde ook nog om haar eigen
as: de aardrotatie. Deze duurt 1 dag.
Doordat de Aarde een beetje scheef is,
hebben we seizoenen. De Aarde is op te
delen in een noordelijk- en zuidelijk
halfrond, hierdoor kunnen we
geografische coördinaten gebruiken om
de precieze plek te vinden op de Aarde.
Een andere manier om de Aarde in te delen zijn de tijdzones.
De Aarde kent verschillende klimaten. Klimaten zijn afhankelijk van verschillende factoren,
zoals temperatuur en neerslag. Er zijn 3 klimaatzones:
- de tropen;
- de gematigde gebieden;
- de poolgebieden.
De keerkringen en de poolcirkels liggen tussen deze zones. Rond de evenaar is het erg
warm en nat. Hoe verder weg je van de evenaar gaat, hoe kouder het er is. De
hoogteligging en de ligging van grote wateroppervlakten hebben ook te maken met het
klimaat. Het klimaat kan worden gezien als de gemiddelde weerstoestand over 30 of 50 jaar.
Het klimaat van eeuwen geleden kan je nu nog steeds herkennen. Zo zijn er door en door
het klimaat van vroeger stuwwallen ontstaan. Nu is het grondgebruik minder gebonden aan
het type bodem en locatie als vroeger, maar er zijn nog steeds patronen zichtbaar.
B2: Bevolking en ruimte
De spreiding van de bevolking op de is niet willekeurig. Mensen gaan wonen op plekken
waar er voldoende basisvoorzieningen zijn om te leven. Denk hierbij aan voldoende
drinkwater en genoeg goede landbouwgrond om voedsel te produceren. Langs de kust en
op plekken met een gematigd klimaat is de bevolkingsdichtheid ook relatief hoog. In
reliëfrijke gebieden, zoals in de bergen, wonen relatief weinig mensen.
Steden ontstonden vroeger op plekken waar handelswegen elkaar kruisen, of op
strategische plekken. Grote steden (1 miljoen + inwoners) ontstonden pas na de Industriële
Revolutie door de mechanisatie in de landbouw. Hierdoor ontstond er een overschot aan
landarbeiders op het platteland. Deze landarbeiders trokken naar de stad om te gaan
werken in de industrie. Veel arbeiders kwamen te wonen in de stadsdelen rond het centrum.
De groei van de stad noemen we urbanisatie. Door de groei van het aantal inwoners
ontstonden er problemen. Overvolle steden met slechte behuizing en een ongezond milieu
waren veel voorkomende problemen die ervoor zorgden dat men weer wegging uit de stad.
Dit waren vooral mensen die veel geld hadden. De arme mensen bleven hier wonen. Dit
noemen we suburbanisatie. De leegstaande huizen en appartementen worden opgevuld
met nieuwkomers die niet zoveel geld hadden. Dit leidt ertoe dat er in sommige steden
, krottenwijken ontstonden en ook tot segregatie: bevolkingsgroepen gaan apart leven en
mensen blijven (noodgedwongen) binnen hun eigen groep. Bij een toename van de welvaart
worden krottenwijken vaak gesloopt of gerenoveerd. De stad wordt hierdoor aantrekkelijk
gemaakt om als woongebied te dienen, zodat welvarende mensen er weer gaan wonen. Dit
noemen we re-urbanisatie. Urbanisatie komt in bijna alle landen voor. In Nederland vindt
vanaf de jaren 60 een grote suburbanisatie plaats. Deze eeuw is er sprake van een grote
re-urbanisatie.
Door de groei van de steden ontstaan er mega steden: steden met meer dan 15 miljoen
inwoners. In veel landen groeien steden aan elkaar tot een stedelijk gebied, bijvoorbeeld de
Randstad. Door de groei van steden en de toegenomen mobiliteit ontstaan er grote
bereikbaarheidsproblemen.
De ontwikkeling van de bevolking vindt op 2 manieren plaats:
- natuurlijke groei;
- instroom uit een ander gebied.
De natuurlijke groei komt voort uit het aantal geboren kinderen en het aantal sterfgevallen.
Met deze cijfers kun je de groei van de bevolking in een gebied goed beschrijven. Als er
meer mensen geboren worden dan er sterven, spreek je van een geboorteoverschot.
Andersom is er een sterfteoverschot.
De andere oorzaak van groei of afname van de bevolking is migratie. Mensen migreren
naar een land om verschillende redenen. Zo kan het komen door oorlog, politieke redenen of
om een beter leven te krijgen. Wanneer je vertrekt uit een land noemen we emigratie.
Overal op de wereld vinden grote migraties tussen landen plaats.
De leeftijdsopbouw van een bevolking geeft aan hoe de verdeling tussen mannen en
vrouwen is en hoe jong en oud zich verhoudt. Veel landen in Europa hebben een
vergrijzende bevolking. Dit houdt in dat er relatief weinig mensen worden geboren en men
steeds ouder wordt. In minder welvarende landen blijft het geboortecijfer vaak erg hoog,
terwijl het sterftecijfer daalt. Dit is een belangrijke oorzaak van de enorme groei van de
bevolking op de wereld.
B3: Bestaansmiddelen
De bekendste indeling in bestaansmiddelen is landbouw, industrie en dienstverlening. In de
landbouw worden de Aarde en de zee gebruikt om voedsel voor de mens te produceren. De
productiviteit is de laatste 100 jaar enorm gestegen door het gebruik van betere
landbouwmethoden, zoals drainage, irrigatie en het gebruik van kunstmest. Bosbouw en
mijnbouw leveren grondstoffen, zoals aardolie en kolen voor de industrie. In de industrie
worden grondstoffen verwerkt tot halffabricaten. Sommige grondstoffen kunnen uit afval
gewonnen worden, zoals schroot of oud papier: recyclen. In de textielindustrie worden
kleren gemaakt en in de metaalindustrie delfstoffen verwerkt tot staal of aluminium. In
andere bedrijven worden deze halffabricaten gebruikt voor de productie van auto’s of andere
eindproducten.