Claimcultuur, 'nieuwe' risico’s en de onrechtmatige daad
Voorbereiding literatuur:
Kennisclip: HR Kelderluik
Het arrest Kelderluik gebruik je voor beoordeling van gevaarzetting.
Gevaarzetting: schending van een verkeers- of veiligheidsnorm en bevindt zich
op het terrein van de maatschappelijke onzorgvuldigheid (6:162 BW). Vier
factoren:
o Ernst van de te verwachten schade: hoe ernstiger hoe eerder
gevaarzetting (dood of letsel is ernstig, zaak- of vermogensschade minder)
o De waarschijnlijkheid van ongevallen: hoe groter, hoe eerder
gevaarzetting.
o De bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen: hoe minder
bezwaarlijk, hoe eerder gevaarzetting
o De te verwachten onoplettendheid en onvoorzichtigheid van anderen.
De afweging kan naar omstandigheden anders uitpakken.
Kennisclip: HR Zutphense Waterleiding
Het artikel over onrechtmatige daad kende in het oude BW slechts twee
categorieën: strijd met een wettelijke bepaling & inbreuk op iemands recht. In
casu handelt men strikt genomen niet in strijd met het artikel maar het is wel
onfatsoenlijk. Rechtbank legt het artikel ruim uit en vindt het onrechtmatig. Hoge
Raad gaat er niet in mee en houdt strikt vast aan de tekst van het artikel. De
Hoge Raad kreeg veel kritiek en gaat om in HR Lindenbaum/ Cohen:
bedrijfsspionage valt niet in de twee categorieën maar de Hoge Raad oordeelt
dat men ook onrechtmatig kan handelen o.b.v. een ongeschreven
zorgvuldigheidsnorm. Dit heeft geleid tot de derde categorie in 6:162 lid 2 BW.
I. Haazen, 'Schade door het coronavirus: een pleidooi voor
aansprakelijkheid voor micro-organismen als gevaarlijke stof’
Tip docent -> focus op het volgende uitgangspunt: kan een bestaande
aansprakelijkheids- grondslag toepasbaar zijn op een nieuw risico?
Schade die ontstaat door micro-organismen kan meestal worden gebaseerd op
fout- aansprakelijkheid van 6:162 BW, bijvoorbeeld bij schending van een
veiligheidsnorm. Niet zelden evenwel ontstaat schade door micro-organismen in
een bedrijfscontext die niet te rug te voeren is op toerekenbaar onrechtmatig
handelen of nalaten. Daarom is er een risicoaansprakelijkheid voor degene die
gevaarlijke stoffen gebruikt of onder zich heeft in artikel 6:175, welke ook geldt
voor micro-organismen die een bijzonder gevaar van ernstige aard vormen.
Vereist voor deze aansprakelijkheid is het gebruik of on der zich hebben van de
gevaarlijke stof in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het werken met een
micro-organisme in een laboratorium voldoet aan dit vereiste; het gros van de
gevallen waarin micro-organismen schade veroorzaken evenwel niet. Bij
bijvoorbeeld de Westfriese Flora ontstaat de schade ten gevolge van de
bedrijfsuitoefening. Haazen bepleit een ruime uitleg van het begrip ‘in de
uitoefening van een bedrijf’ en van het bekendheidsvereiste.
Het begrip ‘stof’ in 6:175 moet ruim worden uitgelegd waardoor ook micro-
organismen zoals SARS-COV-2 onder dit begrip vallen. De stof moet een bijzonder
gevaar opleveren van ernstige aard waarbij het gevaar een intrinsieke
eigenschap van de stof moet zijn: het kan niet weggenomen worden.
, Aansprakelijk is degene die de stof gebruikt of onder zich heeft in de uitoefening
van zijn beroep of bedrijf. Deze omschrijving omvat iedere rechtspersoon
waaronder ook universiteiten en ziekenhuizen. Winstoogmerk is dus geen
vereiste.
Toen de wetgever 6:175 van toepassing achtte op micro-organismen dacht men
aan laboratoriumwerk zoals bacteriekweek maar tegenwoordig zien we micro-
organismen bijv. ook bij productieprocessen van kaas en wijn én worden ze
ingezet voor medische doeleinden. Voor het vaststellen of een micro-organisme
een bijzonder gevaar van ernstige aard is, wordt door vele landen als ook de
WHO een risicoklassen-indeling gehanteerd. SARS-COV-2 wordt ingedeeld in
risicoklasse 3. In het kader van artikel 6:175 BW zou SARS-COV-2 als ‘giftig’
kunnen worden aangemerkt en daarom is het een bijzonder gevaar van ernstige
aard.
Een van de oorzaken van SARS-COV-2 die genoemd wordt is dat een laboratorium
het virus gemaakt had en ontsnapt is. Dat zou onder 6:175 vallen. Een andere
oorzaak die genoemd is, is dat het virus van dier op mens is overgedragen op
een markt waarbij dieren ter consumptie werden verkocht. Toepasselijkheid van
6:175 in Nederland zou op een complicatie stuiten: indien het virus ontstaan is
door de intensieve interactie tussen dier en mens op een diermarkt, is het de
vraag of er sprake is van ‘gebruiken of onder zich hebben in de uitoefening van
een beroep of bedrijf’.
Haazen bepleit dat aansprakelijkheid uitgebreid zou moeten worden tot schade
die veroorzaakt wordt door gevaarlijke stoffen, meer specifiek micro-organismen,
die ontstaan ten gevolge van de bedrijfsuitoefening. Zij acht het niet noodzakelijk
dat de stof is gebruikt maar enkel dat deze ter plekke was en schade heeft
veroorzaakt. Kortom: degene die het gevaar heeft gecreëerd is aansprakelijk.
Haazen bepleit dus dat het enkele onder zich hebben van een stof zonder dat er
sprake is van ‘in de uitoefening van het bedrijf’ tot aansprakelijkheid leidt, mits
deze stof ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten is ontstaan. Voor
aansprakelijkheid is niet vereist dat men zich er van bewust was dat de stof
aanwezig was. Haazen vindt dat het voor de hand ligt om aansprakelijkheid daar
te leggen waar het risico is ontstaan.
Aansprakelijkheid wordt enkel aangenomen voor een gevaar waarvan bekend is
dat het schade oplevert aan personen of zaken. Het gevaar moet bekend zijn op
het moment dat de schadeveroorzakende gebeurtenis tot schade heeft geleid.
Het moet bekend zijn tot de kring van personen die in het maatschappelijk
verkeer met de stof te maken hebben. De aansprakelijkgestelde kan uitsluitend
aan aansprakelijkheid ontkomen, indien hij kan aantonen dat op grond van de
wetenschap en techniek (state of the art) hij het gevaar niet had kúnnen kennen.
Gezien de stand van de wetenschap inzake de pathogene eigenschappen van de
verschillende micro-organismen neergelegd in de reeds genoemde risicoklassen-
indeling en de bekendheid inzake microbiologische risico’s verbonden aan het
intensieve houden van dieren, in de veehouderij of elders, zal dit verweer geen
hout snijden. Maatgevend is niet enkel of in de wetenschap kennis voorhanden
was over de specifieke ziekteverwekker SARS-CoV-2, maar ook of het risico van
overdracht van ziekteverwekkers in het algemeen ten gevolge van de intensieve
interactie tussen dier en mens objectief kenbaar was. Dat is hier het geval.